Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep · Hoger beroep · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 11 mei 2007

Zaakgegevens

Op 11 mei 2007 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
11 mei 2007
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
05-18 WAO
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2007:BA6278
E-mail

Samenvatting

WAO-schatting

Uitspraak

05/18 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 december 2004, 04/204,

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, schriftelijk geantwoord op een vraag van de Raad en bij brief van 9 maart 2007 een nadere arbeidskundige toelichting ingezonden, die is opgesteld aan de hand van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 21 januari 2004, waarbij hij heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 19 augustus 2003 tot verlaging van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 oktober 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15–25 %.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de voor hem op 13 oktober 2003 als gevolg van zijn rugklachten bestaande beperkingen zwaarder zijn dan door het Uwv is aangenomen. In dat verband beroept appellant zich opnieuw op de brief van de hem behandelende orthopedisch chirurg van 29 april 2004. Deze grond is door de rechtbank verworpen. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de brief van 29 april 2004 blijkt dat appellant is aangewezen op absoluut rugsparende arbeid, hetgeen overeenstemt met de door de verzekeringsarts getrokken conclusie. De Raad kan het oordeel van de rechtbank onderschrijven dat uit de brief van 29 april 2004 niet blijkt dat ernstiger arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen dan door de verzekeringsarts in de FML zijn neergelegd.

Niettemin ziet de Raad aanleiding tot de vernietiging van de aangevallen uitspraak. De reden hiervoor is dat in de aanvankelijk gebruikte FML zogenaamde verborgen - en in het geding in eerste aanleg niet (afdoende) toegelichte - beperkingen voorkomen. Daarom is het inleidende beroep gegrond en moet het bestreden besluit als in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

Het hiervoor genoemde gebrek is in hoger beroep hersteld. Uit de in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapportage blijkt weliswaar dat door de bijstelling van de FML niet alle aanvankelijk als geschikt geduide functies kunnen worden gehandhaafd, maar desondanks resteren er voldoende functies en wijzigt de mate van arbeidsongeschiktheid niet. Hierin vindt de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van appellant wegens de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op € 322,- voor het geding bij de rechtbank en € 322,- voor het hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellant.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL