Socialezekerheidsrecht

Oplegging maatregel van 10% korting op de uitkering ingevolge de ZW omdat appellante niet is verschenen op…

Centrale Raad van Beroep, 20 oktober 2010

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
20 oktober 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10-556 ZW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2010:BO1293
E-mail

Samenvatting

Oplegging maatregel van 10% korting op de uitkering ingevolge de ZW omdat appellante niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts. Het niet verschijnen bij de verzekeringsarts kan appellante worden verweten nu zij de afspraak, naar eigen zeggen, gewoonweg was vergeten wegens diverse (privé) omstandigheden. Appellante heeft voorts geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat op medische gronden elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Uitspraak

10/556 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2010, 09/2532 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum: 20 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het Uwv aan appellante, nadat zij op 2 december 2008 niet op het spreekuur van de verzekeringsarts was verschenen, de maatregel van korting van de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met 10% over de periode 2 december 2008 tot en met 2 februari 2009 opgelegd. Het Uwv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 16 juni 2009 (hierna bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet gezegd kan worden dat de door appellante aangevoerde omstandigheden zodanig zijn dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

3. In hoger beroep verwijst appellante naar hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Appellante benadrukt in hoger beroep dat zij voor de eerste keer een voorschrift van de ZW heeft overtreden en acht het direct opleggen van een maatregel zeer onrechtvaardig.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad ziet in de gronden aangevoerd in hoger beroep geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank en verenigt zich met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. De Raad stelt vast dat appellante niet bestrijdt dat zij op 2 december 2008 niet op het spreekuur van de verzekeringsarts is verschenen. Door niet op het spreekuur te verschijnen heeft appellante gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de ZW. Het Uwv is gelet op het bepaalde in de aanhef van het eerste lid en onder c, van artikel 45 van de ZW in samenhang met het tweede lid van dat wetsartikel gehouden een maatregel op te leggen, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De Raad is van oordeel dat het niet verschijnen bij de verzekeringsarts appellante kan worden verweten nu zij de afspraak, naar eigen zeggen, gewoonweg was vergeten wegens diverse (privé) omstandigheden. Appellante heeft voorts geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat op medische gronden elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

5. Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.

(get.) A.A.H. Schifferstein.

(get.) T.J. van der Torn.

NK