Socialezekerheidsrecht

Geen recht meer op ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor zijn werk. Er bestaat geen aanleiding voor het…

Centrale Raad van Beroep, 15 december 2010

Zaakgegevens

Op 15 december 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
15 december 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09-4460 ZW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2010:BO7574
E-mail

Samenvatting

Geen recht meer op ziekengeld. Niet meer ongeschikt voor zijn werk. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn.

Zoals uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt – hetgeen wordt bevestigd door de al in het dossier aanwezige medische informatie – is bij appellant sprake van lichamelijke en psychische klachten waarvoor deels geen verklaring kan worden gevonden, dan wel dat deze niet dermate ernstig zijn dat appellant daarmee niet geschikt zou zijn voor zijn fysiek en psychisch niet erg belastende arbeid van conciërge op een basisschool.

Uitspraak

09/4460 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/6041 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 december 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H. Dormeier, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als conciërge op een basisschool, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 25 februari 2008 met lichamelijke en psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts N. Overmars. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 19 mei 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als conciërge op een basisschool. Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 19 mei 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 8 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts D. van Arkel, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. De Raad oordeelt als volgt.

3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Overmars appellant op de spreekuren van 17 april 2008 en 14 mei 2008 heeft onderzocht en daarbij de beschikking had over de informatie van de huisarts van 9 april 2008. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Arkel het dossier bestudeerd, appellant op het spreekuur van 7 juli 2008 onderzocht en bij de beoordeling alle in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector meegewogen. Op grond van deze informatie – waaruit onder meer blijkt dat sprake is van bloedverlies op basis van haemorrhoiden – en eigen onderzoek heeft Van Arkel beperkingen aangenomen ten aanzien van lopen, rugbelastende werkzaamheden en bovenhands werken met de rechterhand. In dat opzicht moet appellant zich volgens de bezwaarverzekeringsarts in de functie van conciërge voldoende kunnen ontzien. Met betrekking tot de informatie van psychiater R.W. Jessurun van 22 mei 2008 – waarin wordt gesteld dat appellant lijdt aan depressieve, angstneurotische en somatische klachten – heeft Van Arkel aangegeven dat hieruit weliswaar allerlei klachten, maar geen duidelijke beperkingen naar voren komen die het werken als conciërge onmogelijk maken.

3.4. In de op 12 november 2010 door de Raad ontvangen informatie van de bedrijfsarts D.T.M. Smallegange van 10 december 2007 ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Daartoe overweegt de Raad dat, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer van 17 november 2010, deze informatie geen nieuwe nog niet eerder bij het Uwv bekende medische informatie bevat. Zoals uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt – hetgeen wordt bevestigd door de al in het dossier aanwezige medische informatie – is bij appellant sprake van lichamelijke en psychische klachten waarvoor deels geen verklaring kan worden gevonden, dan wel dat deze niet dermate ernstig zijn dat appellant daarmee niet geschikt zou zijn voor zijn fysiek en psychisch niet erg belastende arbeid van conciërge op een basisschool, aldus de bezwaarverzekeringsarts. In hetgeen overigens door appellant in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

4. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 19 mei 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR