Socialezekerheidsrecht

Inburgeringsplicht. Appellante heeft inmiddels (tijdig) het inburgeringexamen gehaald. Het hoger beroep wordt…

Centrale Raad van Beroep, 6 maart 2013

Zaakgegevens

Op 6 maart 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 maart 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
11-4149 INBURG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3327
E-mail

Samenvatting

Inburgeringsplicht. Appellante heeft inmiddels (tijdig) het inburgeringexamen gehaald. Het hoger beroep wordt vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

11/4149 INBURG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011, 10/2533 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 6 maart 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2013. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen, Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 2003 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Zij heeft aan de inburgeringcursus op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) deelgenomen en heeft als bewijs daarvan op 16 december 2005 een certificaat gekregen.

1.2. Het college heeft appellante bij besluit van 19 februari 2010 meegedeeld dat zij op grond van de Wet inburgering (Wi) inburgeringplichtig is en dat zij vóór 19 augustus 2013 het inburgeringexamen of een ander examen dat vrijstelt van de inburgeringplicht moet hebben gehaald. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft bij besluit van 29 april 2010 het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellante beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat de wetgever met de invoering van de Wi heeft beoogd dat nieuwkomers zoals appellante die onder de Win een inburgeringscursus hebben gevolgd, maar daarbij niet een bepaald resultaat hebben behaald, alsnog een inburgeringsexamen dienen te behalen.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd - kort weergegeven - dat zij al een keer is ingeburgerd en dat het in strijd met de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel is dat zij nu opnieuw daartoe wordt verplicht. Gelet op haar omstandigheden vindt appellante de verplichting om opnieuw in te burgeren ook belastend. In een brief van 14 januari 2013 heeft appellante de Raad op de hoogte gesteld van het feit dat zij alsnog heeft deelgenomen aan een inburgeringtraject en inmiddels voor haar examen is geslaagd. Op 11 oktober 2012 heeft zij haar diploma gekregen.

4.1. De Raad ziet zich als gevolg van het feit dat appellante inmiddels (tijdig) het inburgeringexamen heeft gehaald, gesteld voor de vraag of zij voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271 en 9 juni 2009,

LJN BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor die indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2. Appellante heeft in haar brief van 14 januari 2013 te kennen gegeven belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, omdat het inburgeringtraject haar geld, tijd en moeite heeft gekost. Appellante heeft hierover echter verder niets gesteld.

4.3. Voor zover appellante bedoeld heeft te stellen dat zij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming, mag een dergelijke stelling niet op voorhand onaannemelijk zijn. Nu op geen enkele wijze nader is onderbouwd dat er kosten zijn gemaakt en dat er schade is geleden, is niet aan dat vereiste voldaan. Overigens blijkt uit het besluit van 19 februari 2010 dat het college de kosten van de inburgeringcursus en het examen vergoedt, wat ook door de gemachtigde van het college ter zitting is bevestigd.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en A.J. Schaap en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) A.C. Oomkens

sg