Socialezekerheidsrecht
Het bewijs van de plaatsing van het door appellant in bezwaar aangevochten besluit op ‘Mijn DUO’, is niet…
ECLI:NL:CRVB:2016:1276 · Centrale Raad van Beroep · 23 maart 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-1276
Zaakgegevens
Op 23 maart 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 maart 2016
- Datum publicatie
- 8 april 2016
- Zaaknummer
- 13/2014 WSF
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:1276
Samenvatting
Het bewijs van de plaatsing van het door appellant in bezwaar aangevochten besluit op ‘Mijn DUO’, is niet (meer) voorhanden, zodat de datum van bekendmaking van dat besluit niet (meer) precies kan worden vastgesteld. Daarom wordt niet langer het standpunt gehandhaafd dat dat bezwaar niet-ontvankelijk is en zal een inhoudelijke beslissing worden genomen. De Raad acht het standpunt van de minister juist. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.
Uitspraak
Inhoudsopgave
13/2014 WSF
Datum uitspraak: 23 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
28 februari 2013, 11/1175 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
OVERWEGINGEN
Appellant heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Op verschillende momenten in 2010 en 2011 is daarbij een schuld voor appellant ontstaan als gevolg van onterechte betalingen en een onterecht geactiveerd studentenreisproduct op een OV-chipkaart, omdat de minister uit een controle is gebleken dat appellant enige tijd niet ingeschreven is geweest bij een onderwijsinstelling. De minister heeft appellant hiervan op de hoogte gesteld bij besluiten van 12 en 26 februari 2011.
De minister heeft het door appellant tegen deze twee besluiten gemaakte bezwaar bij besluit van 1 augustus 2011 (bestreden besluit) wegens termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is mede overwogen dat de besluiten aan appellant op de juiste wijze bekend zijn gemaakt door plaatsing op ‘Mijn DUO’ en door verzending van e-mails aan appellant, waarvan kan worden aangenomen dat deze appellant hebben bereikt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
De minister heeft hangende het hoger beroep, bij brief van 19 november 2013, aangegeven, en ter zitting toegelicht, dat het bewijs van de plaatsing van het door appellant in bezwaar aangevochten besluit op ‘Mijn DUO’, niet (meer) voorhanden is, zodat de datum van bekendmaking van dat besluit niet (meer) precies kan worden vastgesteld. Daarom wordt niet langer het standpunt gehandhaafd dat dat bezwaar niet-ontvankelijk is en zal een inhoudelijke beslissing worden genomen. De Raad acht het standpunt van de minister juist. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het besluit van 1 augustus 2011, dat door de rechtbank ten onrechte in stand is gelaten, moet worden vernietigd.
Gelet op wat is overwogen in 4.1 zal de minister een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant moeten nemen. De Raad ziet in het verloop van de procedure tot nu toe en de uitgebreide inhoudelijke correspondentie tussen partijen, aanleiding met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad.
5. Over de vergoeding van de door appellant gemaakte kosten hebben partijen reeds overeenstemming bereikt. De Raad ziet geen aanleiding van het door partijen berekende bedrag af te wijken, zodat het bedrag van de proceskostenveroordeling daarop zal worden vastgesteld.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak;
-
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 augustus 2011;
-
draagt de minister op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen;
-
bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
-
veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.235,-;
-
bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 159,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) C.M.A.V. van Kleef