Socialezekerheidsrecht
Intrekken omdat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres.
Centrale Raad van Beroep, 25 september 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:3112 · Centrale Raad van Beroep · 25 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-3112
Zaakgegevens
Op 25 september 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 september 2018
- Datum publicatie
- 10 oktober 2018
- Zaaknummer
- 17-2703 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:3112
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekken omdat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres.
Uitspraak
17 2703 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 februari 2017, 16/2245 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (college)
Datum uitspraak: 25 september 2018
Zitting heeft: J.N.A. Bootsma
Griffier: F. Dinleyici
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Hoogeveen (advocaat). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. De bijstand van appellant is terecht per 9 maart 2016 ingetrokken.
2. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in de te beoordelen periode van 9 maart 2016 tot en met 5 april 2016 niet woonde op het opgegeven adres. Appellant heeft niet met verifieerbare en controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt waar hij in die periode wel woonde, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
3. Appellant heeft in hoger beroep de beroepsgronden herhaald dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat, als dat wel zo zou zijn, hij niet ten onrechte bijstand heeft ontvangen. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust.
4. Appellant heeft nog gewezen op zijn gezondheidssituatie. De Raad kan hier niet over oordelen, omdat hier geen stukken van zijn. Bovendien heeft appellant gezegd dat de gezondheidsklachten zijn ontstaan na de te beoordelen periode, waardoor dit ook niet zou kunnen leiden tot een ander oordeel.
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F. Dinleyici (getekend) J.N.A. Bootsma