Socialezekerheidsrecht
Intrekking bijstand na opschorting. Verwijt niet ingeleverde stukken. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant…
ECLI:NL:CRVB:2019:2532 · Centrale Raad van Beroep · 23 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-2532
Zaakgegevens
Op 23 juli 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 juli 2019
- Datum publicatie
- 30 juli 2019
- Zaaknummer
- 18/4452 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:2532
Samenvatting
Intrekking bijstand na opschorting. Verwijt niet ingeleverde stukken. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant geen afhaalbericht van de aangetekende verzending heeft ontvangen.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:3804Centrale Raad van Beroep · 23 juli 2019deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2019:2532
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
18 4452 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juni 2018, 18/282 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 23 juli 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: D. Bakker
Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R.T. Laigsingh, advocaat. Het college is, met bericht, niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Dat oordeel berust op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand met ingang van 27 september 2017 na een eerdere opschorting van de bijstand per diezelfde datum. Het college heeft de bijstand ingetrokken omdat appellant de bij de opschorting gevraagde bankafschriften niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.
Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.
Niet in geschil is dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig heeft verstrekt. Ook niet in geschil is dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van de bijstand en dat appellant redelijkerwijs over deze stukken kon beschikken.
Het geschil ziet op de vraag of appellant van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt. Appellant voert in dit verband aan dat hij het besluit tot opschorting van 28 september 2017, waarbij hem een hersteltermijn is geboden en hij erop is gewezen dat het niet tijdig verstrekken van de stukken ertoe kan leiden dat de uitkering wordt stopgezet, niet heeft ontvangen. Ook heeft hij geen afhaalbericht ontvangen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst daarvan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Niet in geschil is dat uit het systeem Track&Trace is af te leiden dat de brief van 28 september 2017 op 30 september 2017 en op 2 oktober 2017 op het adres van appellant is aangeboden en vervolgens naar de [locatie] op [adres] is gebracht om door appellant te worden opgehaald. Uit Track&Trace blijkt verder, zoals ter zitting met appellant is vastgesteld, dat PostNL daartoe een afhaalbericht heeft achtergelaten. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5032) dat, indien de belanghebbende vervolgens stelt geen afhaalbericht te hebben ontvangen, het op zijn weg ligt feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Appellant heeft dergelijke feiten niet gesteld. De enkele stelling van appellant dat dit van hem niet kan worden verwacht omdat niet valt in te zien hoe hij dit moet doen, vormt geen aanleiding van de vaste rechtspraak terug te komen.
Appellant kan daarom een verwijt worden gemaakt van het niet tijdig herstellen van het verzuim. De omstandigheid dat op het adres van appellant regelmatig post verloren gaat, leidt niet tot een ander oordeel. De wijze waarop de post, na correcte bezorging aan het opgegeven adres, intern verder wordt behandeld, komt voor risico van de geadresseerde.
De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) D. Bakker (getekend) P.W. van Straalen