Socialezekerheidsrecht
Vaststelling buitenlandbijdrage.
ECLI:NL:CRVB:2019:406 · Centrale Raad van Beroep · 6 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-406
Zaakgegevens
Op 6 februari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 februari 2019
- Datum publicatie
- 11 februari 2019
- Zaaknummer
- 16/5655 ZVW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:406
Samenvatting
Vaststelling buitenlandbijdrage.
Uitspraak
Inhoudsopgave
16 5655 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2016, 16/1977 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Frankrijk (appellante)
CAK
Datum uitspraak: 6 februari 2019
PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Appellante is met kennisgeving aan de Raad niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
CAK heeft gereageerd.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Bij besluit van 13 november 2015 heeft CAK de buitenlandbijdrage over 2014 vastgesteld op € 2.219,88. Daarbij is tevens vastgesteld dat appellante nog € 1.287,40 moet betalen.
Bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2016 (bestreden besluit) heeft CAK de bezwaren van appellante tegen het besluit van 13 november 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat zij niet bij machte is de buitenlandbijdrage te betalen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
Gelet op het verhandelde ter zitting heeft CAK zich gezien de specifieke omstandigheden van dit geval voor 2014 op het standpunt gesteld dat appellante wel mag declareren en geen buitenlandbijdrage behoeft te betalen. Niet valt dan ook in te zien welke betekenis het beroep nog kan hebben voor appellante.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) J.R. Trox
md