Socialezekerheidsrecht
Geen bijstand met terugwerkende kracht. Geen nova aangevoerd en geen bijzondere omstandigheden.
Centrale Raad van Beroep, 17 december 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:4346 · Centrale Raad van Beroep · 17 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-4346
Zaakgegevens
Op 17 december 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 december 2019
- Datum publicatie
- 31 december 2019
- Zaaknummer
- 18/6081 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:4346
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen bijstand met terugwerkende kracht. Geen nova aangevoerd en geen bijzondere omstandigheden.
Uitspraak
18 6081 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2018, 18/997 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)
Datum uitspraak: 17 december 2019
Zitting hebben: J.J.A. Kooijman als voorzitter en M. Hillen en E.C.G. Okhuizen als leden.
Griffier: I.A. Siskina
Ter zitting is appellant verschenen, bijgestaan door mr. M. Dorgelo, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Muminovic.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Dit betekent dat het college aan appellant op goede gronden niet eerder dan met ingang van 4 september 2017 bijstand heeft toegekend.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft zich op 4 september 2017 gemeld om bijstand aan te vragen. Op 25 september 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om bijstand met ingang van 7 juni 2017. Bij besluit van 13 november 2017 heeft het college appellant bijstand toegekend met ingang van 12 september 2017. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 1 februari 2018 (bestreden besluit) bijstand toegekend met ingang van 4 september 2017. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De aanvraag van appellant is voor wat betreft de periode van 7 juni 2017 tot en met 21 augustus 2017 een herhaling van de aanvraag waarop het college bij (onherroepelijk) besluit van 21 augustus 2017 heeft beslist. Wat appellant heeft aangevoerd, met name dat het college fouten heeft gemaakt en de verklaring van appellant verkeerd heeft geïnterpreteerd, zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het had op de weg van appellant gelegen deze gronden aan te voeren in een procedure tegen het besluit van 21 augustus 2017. In wat appellant heeft aangevoerd is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
De aanvraag van appellant is voor wat betreft de periode van 22 augustus 2017 tot 4 september 2017 een verzoek om toekenning van bijstand met terugwerkende kracht. In beginsel kan niet eerder bijstand worden verleend dan met ingang van de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend waarop het college niet heeft beslist, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Dit is niet het geval. De eerdere poging bij het college Amersfoort heeft geresulteerd in een aanvraag waarop is beslist en in het besluit van 21 augustus 2017, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Evenmin zijn bijzondere omstandigheden gelegen in een eerdere poging bijstand te verkrijgen bij het college Eindhoven. Ook overigens is in wat appellant heeft aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het beroep van appellant op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat, zoals ter zitting is besproken, die rechtspraak op een andere situatie ziet dan waarin appellant verkeert, heeft appellant zijn beroep op dit punt ook niet voldoende onderbouwd.
Het hoger beroep van appellant slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) I.A. Siskina (getekend) J.J.A. Kooijman