Socialezekerheidsrecht
Toekenning bijzondere bijstand voor inrichtingskosten in vorm van een lening.
ECLI:NL:CRVB:2019:771 · Centrale Raad van Beroep · 19 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-771
Zaakgegevens
Op 19 februari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 februari 2019
- Datum publicatie
- 8 maart 2019
- Zaaknummer
- 17/6683 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:771
Samenvatting
Toekenning bijzondere bijstand voor inrichtingskosten in vorm van een lening.
Uitspraak
Inhoudsopgave
17 6683 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 19 februari 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 augustus 2017, 17/550 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: E. Stumpel
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S. Wortel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.T.A. van Uden en mr. S. van Marion.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant heeft bijzondere bijstand voor inrichtingskosten aangevraagd. Het college heeft bij besluit van 14 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 december 2016 (bestreden besluit), bijzondere bijstand tot een bedrag van € 3.366,- in de vorm van een geldlening toegekend. Aan de besluitvorming heeft het college - voor zover hier van belang - artikel 51, eerste lid, van de Participatiewet (PW) ten grondslag gelegd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Niet in geschil is dat de aanvraag betrekking heeft op duurzame gebruiksgoederen en dat het college dus op grond van artikel 51, eerste lid, van de PW bevoegd was om de bijzondere bijstand in de vorm van een lening te verlenen. Appellant heeft aangevoerd dat het college, gelet op de omstandigheden van appellant en rekening houdende met zijn belangen, de bijzondere bijstand om niet had moeten verstrekken in plaats van in de vorm van een geldlening. Appellant heeft noodgedwongen zijn ouderlijk huis per direct moeten verlaten waardoor hij niet heeft kunnen reserveren. Daarnaast had het college rekening moeten houden met zijn jonge leeftijd, het feit dat hij met zijn studie is gestopt en de daaruit voortvloeiende studieschuld. Ook had het college bij de besluitvorming moeten meewegen dat appellant door het toekennen van leenbijstand al op jonge leeftijd achtervolgd wordt door een schuld en daarom de bijstand om niet moeten verlenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bijstand in de vorm van een geldlening toe te kennen. Daarvoor is van belang dat het college in het geval van appellant heeft aangesloten bij de door hem gehanteerde vaste gedragslijn om bij toekenning van bijzondere bijstand voor de eerste aanschaf van woninginrichting aan statushouders, deze in de vorm van een lening te verstrekken. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het college deze gedragslijn in zijn situatie niet heeft kunnen volgen. Ook is van belang dat het college op grond van artikel 51, tweede lid, van de PW bij het terugbetalen van de lening rekening dient te houden met de omstandigheden van appellant.
4. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft de beoordeling van het bestreden besluit echter ten onrechte gebaseerd op artikel 48, eerste lid, van de PW. Daarom wordt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E. Stumpel (getekend) M. Schoneveld