Socialezekerheidsrecht
De Raad stelt vast dat de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2017 waarop het ingetrokken beroep betrekking…
Centrale Raad van Beroep, 11 juni 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:1215 · Centrale Raad van Beroep · 11 juni 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-1215
Zaakgegevens
Op 11 juni 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juni 2020
- Datum publicatie
- 11 juni 2020
- Zaaknummer
- 18/3317 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:1215
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad stelt vast dat de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2017 waarop het ingetrokken beroep betrekking heeft, ongewijzigd van kracht is gebleven. Dat aan appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag per latere datum een ziektewetuitkering is toegekend doet daar niet aan af. Er is daarmee geen sprake van een (tegemoetkomende) gewijzigde beslissing op bezwaar. Het hoger beroep van appellant is dan ook niet ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak
Datum uitspraak: 11 juni 2020
18/3317 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 mei 2018, 17/2239 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 18 februari 2020 heeft mr. Aslan namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bij brief van 24 februari 2020 een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2017 waarop het ingetrokken beroep betrekking heeft, ongewijzigd van kracht is gebleven. Dat aan appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag per latere datum een ziektewetuitkering is toegekend doet daar niet aan af. Er is daarmee geen sprake van een (tegemoetkomende) gewijzigde beslissing op bezwaar.
Het hoger beroep van appellant is dan ook niet ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2020.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) J.A. Achterberg