Socialezekerheidsrecht
Deze uitspraak is vervallen verklaard. Zie ECLI:NL:CRVB:2021:2961, 17-11-2021, 19/1461 WSF-V met de uitspraak…
Centrale Raad van Beroep, 8 juli 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1653 · Centrale Raad van Beroep · 8 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1653
Zaakgegevens
Op 8 juli 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2021
- Datum publicatie
- 9 juli 2021
- Zaaknummer
- 19/4061 WSF
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1653
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze uitspraak is vervallen verklaard.
Zie ECLI:NL:CRVB:2021:2961, 17-11-2021, 19/1461 WSF-V met de uitspraak tot vervallenverklaring.
Uitspraak
19/4061 WSF
Datum uitspraak: 8 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 augustus 2019, 19/1531 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.J. van der Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.
OVERWEGINGEN
Appellant heeft studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen vanaf 1 september 2011, in de vorm van een prestatiebeurs. Daaraan was een reisvoorziening gekoppeld. De studiefinanciering is in die vorm gecontinueerd tot en met 31 augustus 2015. Bij brieven van 26 januari 2015 en 5 april 2015 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij in het studiejaar 2015/2016 te maken krijgt met het nieuwe stelsel van studiefinanciering, waardoor hij vanaf 1 september 2015 geen recht meer heeft op een prestatiebeurs, maar dat hij vanaf dat moment wel een lening kan krijgen. Hij is er daarbij op gewezen dat hij zijn reisproduct kan behouden door op te geven dat hij € 0,- wil lenen.
Op 31 augustus 2015 heeft appellant aan de minister doorgegeven dat hij geen bedrag als lening wil ontvangen. De reisvoorziening heeft appellant wel behouden. Deze is bij besluit van 7 december 2015 voor het jaar 2016 gecontinueerd.
Bij brief van 5 augustus 2016 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 september 2016 nog maximaal drie jaar kan lenen en maximaal nog een jaar recht heeft op zijn reisvoorziening.
Bij besluit van 2 september 2017 is aan appellant op zijn verzoek met ingang van 1 september 2017 de maximale lening toegekend van € 931,00 per maand. Deze is bij besluit van 4 december 2017 voor het jaar 2018 gecontinueerd.
Bij besluit van 17 oktober 2018 is aan appellant over de periode januari tot en met augustus 2019 de maximale lening toegekend. Bij hetzelfde besluit heeft de minister geen studiefinanciering toegekend vanaf september 2019.
Bij besluit van 4 maart 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 oktober 2018 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant vanaf september 2015 geen recht meer heeft op een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs. Appellant stond vóór de invoering van het leenstelsel ingeschreven voor een WO-bacheloropleiding. Dit betekent dat hij gedurende de nominale duur van zijn bacheloropleiding (drie jaar) recht heeft op de prestatiebeurs. Appellant heeft ook van september 2014 tot september 2015 prestatiebeurs ontvangen. Omdat appellant niet valt onder de zogeheten cohortgarantie, moet voor de beoordeling van zijn aanspraken worden gekeken naar de Wsf 2000 zoals die gold op het moment dat appellant feitelijk startte met zijn masteropleiding. Dit betekent dat appellant voor zijn masteropleiding onder het nieuwe systeem valt, waarin hij alleen nog kan lenen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant voor het studiejaar 2019/2020 niet in aanmerking komt voor een rentedragende lening. Appellant heeft in totaal recht op acht jaar studiefinanciering en aangezien appellant vanaf september 2011 studiefinanciering kreeg, stopt zijn recht per september 2019. Een nullening is namelijk ook een vorm van studiefinanciering, omdat dan gebruik kan worden gemaakt van het studentenreisproduct. Appellant heeft van september 2015 tot september 2017 een nul-lening gehad, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van het studentenreisproduct. Hij heeft in totaal acht jaar studiefinanciering genoten en komt dus voor het studiejaar 2019/2020 niet in aanmerking voor een rentedragende lening. De rechtbank heeft bij dit alles verwezen naar een bijlage waarin zij bepalingen uit de Wsf 2000 heeft geciteerd.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij recht heeft op nog een jaar studiefinanciering, ofwel in de vorm van een prestatiebeurs, ofwel in de vorm van een lening. Het besluit van de minister en de aangevallen uitspraak zijn onvoldoende gemotiveerd. Dat had behoren te leiden tot een proceskostenveroordeling.
4. De Raad oordeelt als volgt.
De Raad verwijst voor het wettelijk kader naar de bijlage bij de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt artikel 8.1, derde lid, van de Wsf 2000 toegevoegd, waarin het volgende is bepaald:
“De studerende kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Door zijn aanvraag doet de studerende afstand van zijn recht om het bedrag van de verlaging van de lening alsnog te lenen. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.”
Appellant heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven is juist. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Terecht heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant op grond van artikel 5.2 van de Wsf 2000 recht had op vier jaar prestatiebeurs. Door de inwerkingtreding van de Wet studievoorschot hoger onderwijs en het daarbij geldende overgangsrecht, neergelegd in artikel 12.14 van de Wsf 2000, had appellant daarna geen recht meer op een prestatiebeurs, maar op een lening. Deze lening is op zijn verzoek gedurende twee jaren op € 0,00 vastgesteld. De onder 4.1 weergegeven bepaling leidt ertoe dat deze twee jaren meetellen bij de berekening van de studiefinancieringsduur van appellant. Appellant heeft daarom al zijn rechten verbruikt: vier jaar prestatiebeurs van studiejaar 2011/2012 tot en met studiejaar 2014/2015, twee jaar nul-lening met reisvoorziening in de studiejaren 2015/2016 en 2016/2017, en twee jaar lening in de studiejaren 2017/2018 en 2018/2019.
De minister heeft er in zijn verweerschrift bij de rechtbank op gewezen dat de zogeheten nul-lening wordt beschouwd als studiefinanciering en dat met het behouden van het reisrecht ook studiefinanciering werd genoten. Blijkens de zittingsaantekeningen is hierover ter zitting bij de rechtbank ook gesproken. Dat artikel 8.1, derde lid, van de Wsf 2000, waarop deze mededeling is gebaseerd, toen niet is genoemd en ook niet is opgenomen in de aangevallen uitspraak, betekent, anders dan appellant meent, niet dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft voor de motivering van haar oordeel op dit punt immers verwezen naar de uitspraak van de Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:CVRB:2013:CA1658, waarin het artikel is geciteerd (en waarin daaraan uitleg is gegeven).
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2021.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) E.M. Welling