Socialezekerheidsrecht
Afwijzing bijzondere bijstand. Kosten babyuitzet. Territorialiteitsbeginsel. De zoon van appellant is geboren…
Centrale Raad van Beroep, 20 juli 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1787 · Centrale Raad van Beroep · 20 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1787
Zaakgegevens
Op 20 juli 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 juli 2021
- Datum publicatie
- 23 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/2807 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1787
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing bijzondere bijstand. Kosten babyuitzet. Territorialiteitsbeginsel. De zoon van appellant is geboren in Marokko en hij verbleef zowel ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand voor een babyuitzet als ten tijde van de besluitvorming in Marokko. Het territorialiteitsbeginsel stond in de weg aan het verlenen van bijzondere bijstand.
Uitspraak
20 2807 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 20 juli 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2020, 20/875 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 20 augustus 2019 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet op grond van de Participatiewet (PW). Op 7 juni 2019 is zijn echtgenote in Marokko bevallen van hun zoon.
Bij besluit van 7 september 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 11 van de PW geen aanspraak kan worden gemaakt op bijstand voor kosten die een baby betreffen die niet in Nederland woonachtig is. Er is geen sprake van zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van de babyuitzet niet aan Nederland verbonden zouden zijn. Appellant heeft vanaf het begin te kennen gegeven dat het de bedoeling was dat zijn echtgenote en hun zoon zo snel mogelijk naar Nederland zouden komen om zich hier te vestigen. Hij was al bezig met de voorbereidingen voor hun komst naar Nederland. Zijn zoon heeft de Nederlandse nationaliteit.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het territorialiteitsbeginsel aan bijstandsverlening in de weg staat. Niet in geschil is dat de zoon van appellant is geboren in Marokko en dat hij zowel ten tijde van de aanvraag om bijstand als ten tijde van de besluitvorming nog in Marokko verbleef. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen. Dat het al langere tijd de bedoeling was dat de echtgenote van appellant en hun zoon zich in Nederland zouden vestigen en dat zijn zoon de Nederlandse nationaliteit heeft, doet aan het voorgaande niet af.
Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn zoon sinds 19 februari 2019 (lees: 2020) in Nederland verblijft en dat het evident onredelijk is om naar aanleiding van dit nieuwe feit de bijstand niet alsnog toe te kennen.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Ten tijde van de besluitvorming verbleef de zoon van appellant niet in Nederland. Dat appellant vanaf het begin af aan duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn gezin zo snel mogelijk naar Nederland zou halen en dat appellant zijn zoon heeft laten inschrijven in de basisregistratie personen, maakt dit niet anders.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2021.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) M. Zwart