Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. Hoewel de gevolgen van het te laat betalen van het griffierecht voor appellant groot zijn…
Centrale Raad van Beroep, 30 juli 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1897 · Centrale Raad van Beroep · 30 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1897
Zaakgegevens
Op 30 juli 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 juli 2021
- Datum publicatie
- 2 augustus 2021
- Zaaknummer
- 20/2730 WIA-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1897
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond. Hoewel de gevolgen van het te laat betalen van het griffierecht voor appellant groot zijn, kunnen de belangen van appellant geen rol spelen bij het antwoord op de vraag of de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar is. Van andere feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het niet tijdig voldoen van het griffierecht verschoonbaar te achten is niet gebleken. Het te laat betaalde griffierecht zal aan appellant worden terugbetaald.
Uitspraak
Datum uitspraak: 16 juli 2021
20/2730 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2020, 19/2796 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak op 23 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad baseert zich bij die beslissing op de artikelen
8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Namens appellant heeft J.A.M. Houberg werkzaam bij Advies B.V., verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2021, waar mr. J.A.M. Houberg als gemachtigde namens appellant is verschenen.
OVERWEGINGEN
In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan.
In verzet heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat sprake is van een miscommunicatie. Appellant dacht dat zijn gemachtigde het griffierecht zou overmaken. Toen de gemachtigde van appellant de herinnering van de nota kreeg heeft hij niet direct gereageerd omdat hij ervan uitging dat appellant dat had gedaan. Pas in januari 2021 kwam de gemachtigde van appellant tot de ontdekking dat de nota niet was voldaan. Na het ontdekken van de omissie is het griffierecht alsnog voldaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van appellant verder nog verklaard dat appellant hersenletsel heeft en daardoor veel vergeet. Namens appellant wordt vanwege zijn grote belang en de uitzonderlijke omstandigheden van appellant, gevraagd om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen.
De Raad volgt appellant hierin niet. Hoewel het ongelukkig is dat door een misverstand het griffierecht niet tijdig is voldaan, neemt dit niet weg dat de gemachtigde van appellant bij herhaling schriftelijk is verzocht het griffierecht te betalen. In de betalingsherinnering van
6 september 2020 is de gemachtigde van appellant er nogmaals uitdrukkelijk op gewezen dat appellant er rekening mee moest houden dat inhoudelijke behandeling niet zal plaatsvinden als het griffierecht niet binnen de gestelde termijn zou worden betaald. Appellant heeft gesteld dat hij door zijn geheugenproblemen niet in staat was om tijdig te betalen. Dit zou blijken uit de medische rapportages in het dossier. Dit kan niet tot een ander oordeel leiden. Allereerst blijkt uit deze stukken onvoldoende dat van hem niet verwacht kon worden tijdig het griffierecht te betalen. Bovendien is het, juist omdat appellant bekend is met geheugenproblemen, belangrijk om zich te laten begeleiden of ondersteunen bij zijn administratie. Hoewel de gevolgen van het te laat betalen van het griffierecht voor appellant groot zijn, kunnen de belangen van appellant geen rol spelen bij het antwoord op de vraag of de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar is.
Van andere feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het niet tijdig voldoen van het griffierecht verschoonbaar te achten is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Het te laat betaalde griffierecht zal aan appellant worden terugbetaald.
Voor een proceskostenveroordeling in de verzetprocedure is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-verklaart het verzet ongegrond;
-bepaalt dat het te laat betaalde griffierecht van € 131,- aan appellant wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens
als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2021.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) J.B. Beerens