Socialezekerheidsrecht
Terecht geen AIO-aanvulling met terugwerkende kracht verleend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat…
Centrale Raad van Beroep, 11 oktober 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:2208 · Centrale Raad van Beroep · 11 oktober 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-2208
Zaakgegevens
Op 11 oktober 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 oktober 2022
- Datum publicatie
- 14 oktober 2022
- Zaaknummer
- 20 / 3854 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:2208
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Terecht geen AIO-aanvulling met terugwerkende kracht verleend.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht een AIO-aanvulling wordt toegekend.
Uitspraak
20 3854 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 oktober 2020, 19/2980 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 11 oktober 2022
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: B. Beerens
Ter zitting is namens appellant verschenen mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de ingangsdatum van de aan appellant toegekende aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). De Svb heeft de AIO-aanvulling toegekend per 15 juli 2019, de datum waarop appellant zich bij de Svb heeft gemeld om een AIO-aanvulling aan te vragen. Appellant ontvangt vanaf 12 juni 2019, de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, een onvolledig ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). De Svb heeft de toekenning van de AIO-aanvulling per 15 juli 2019, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 30 september 2019 (bestreden besluit). De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat in zijn geval wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Appellant stelt dat de te late melding voor een AIO-aanvulling het directe gevolg is van onjuiste of onvolledige voorlichting van de kant van de gemeente Heerlen, waar hij tot 12 juni 2019 bijstand op grond van de Participatiewet heeft ontvangen. Dit blijkt volgens appellant uit de volgende passages uit een telefoonrapport van een gesprek tussen hem en een medewerker van de Svb van 15 juli 2019: “Hem was gezegd dat zijn vrouw wel nog geld zou krijgen maar hij heeft nu helemaal niks meer gekregen.” en: “Meneer vond het erg vervelend dat door “verkeerde info” van de gemeente hij nu een maand inkomen mis liep.” Volgens appellant moet de AIO-aanvulling hem daarom met terugwerkende kracht tot 12 juni 2019 worden toegekend.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht tot 12 juni 2019 een AIO-aanvulling wordt toegekend. De verwijzing naar het telefoonrapport van 15 juli 2019 is daarvoor in ieder geval niet voldoende. Zo op basis daarvan al kan worden aangenomen dat een medewerker van het college tegen appellant heeft gezegd dat “zijn vrouw wel nog geld zou krijgen”, dan blijkt daaruit niet dat appellant op het verkeerde been is gezet wat betreft zijn aanspraak op bijstand vanaf 12 juni 2019.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, behoort het bovendien tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant om tijdig een aanvraag om een AIO-aanvulling in te dienen. Verder is van betekenis dat de Svb appellant diverse malen heeft geïnformeerd over de AIO-aanvulling en het aanvragen daarvan. Zo staat in een besluit van 9 april 2019 dat appellant niet het maximale pensioenbedrag heeft opgebouwd en dat hij, als hij vanaf 12 juni 2019 geen of weinig inkomsten naast zijn AOW heeft, misschien een AIO-aanvulling kan krijgen. In een informatiebrief van 1 mei 2019 heeft de Svb appellant erop gewezen dat de bijstand van de gemeente automatisch stopt als appellant de pensioengerechtigde AOW-leeftijd bereikt en dat hij dan zelf een AIO-aanvulling bij de Svb moet aanvragen. Bij het besluit van 6 juni 2019 tot toekenning van een AOW-pensioen aan appellant per 12 juni 2019 is een checklist gevoegd waarmee appellant zelf kan beoordelen of hij mogelijk in aanmerking komt voor een AIO-aanvulling. Hierbij is verwezen naar de webpagina van de Svb waar appellant kan kijken of hij een AIO-aanvulling kan aanvragen. Gelet op deze informatie had appellant kunnen weten dat hij zich eerder bij de Svb had moeten melden om een AIO-aanvulling aan te vragen.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B. Beerens (getekend) W.F. Claessens