Socialezekerheidsrecht

Bij aangetekende brief van 5 november 2021 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid…

Centrale Raad van Beroep, 1 februari 2022

Zaakgegevens

Op 1 februari 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
1 februari 2022
Datum publicatie
9 februari 2022
Zaaknummer
21/3329 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2022:273
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bij aangetekende brief van 5 november 2021 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat, als hij de gronden niet inzendt binnen de gestelde termijn, hij er rekening mee moet houden dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld. De gemachtigde van appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij brief van 17 december 2021 heeft de gemachtigde van appellante zich aan de zaak onttrokken. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 februari 2022

21/3329 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

5 augustus 2021, 20/885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellanten] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Tadema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.

Bij brief van 21 september 2021 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

Bij brief van 19 oktober 2021 heeft de gemachtigde van appellant gevraagd om verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden. Bij brief van 20 oktober 2021 is de termijn verlengd tot en met 2 november 2021.

De gemachtigde van appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Bij aangetekende brief van 5 november 2021 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat, als hij de gronden niet inzendt binnen de gestelde termijn, hij er rekening mee moet houden dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld.

De gemachtigde van appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Bij brief van 17 december 2021 heeft de gemachtigde van appellante zich aan de zaak onttrokken.

Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2022.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) K.R. van Renswoude

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.