Socialezekerheidsrecht
Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het…
Centrale Raad van Beroep, 17 maart 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:678 · Centrale Raad van Beroep · 17 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-678
Zaakgegevens
Op 17 maart 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 maart 2022
- Datum publicatie
- 30 maart 2022
- Zaaknummer
- 17/7974 WMO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:678
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Met de gemachtigde van betrokkene is de Raad van oordeel dat betrokkene zich, als gevolg van het instellen van het hoger beroep door appellant en het weer intrekken van dit hoger beroep, genoodzaakt heeft gezien in deze zaak juridische bijstand in te roepen. De kosten voor deze juridische bijstand dienen voor rekening van appellant te komen. Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (indienen verweerschrift).
Uitspraak
Datum uitspraak: 17 maart 2022
17/7974 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 november 2017, 17/1241 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 29 januari 2018 heeft mr. K. Wevers namens betrokkene een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 6 november 2020 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. Wevers verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Met de gemachtigde van betrokkene is de Raad van oordeel dat betrokkene zich, als gevolg van het instellen van het hoger beroep door appellant en het weer intrekken van dit hoger beroep, genoodzaakt heeft gezien in deze zaak juridische bijstand in te roepen. De kosten voor deze juridische bijstand dienen voor rekening van appellant te komen.
Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (indienen verweerschrift).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2022.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) K.R. van Renswoude