Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Hoger beroep Socialezekerheidsrecht

13 januari 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:98

Op 13 januari 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van socialezekerheidsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 21/1841 WIA, bekend onder ECLI code ECLI:NL:CRVB:2022:98.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
21/1841 WIA
Datum uitspraak
13 januari 2022
Datum gepubliceerd
14 januari 2022
Uitspraak
21
1841 WIA

Datum uitspraak: 13 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2021, 20/2481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante]
te
[woonplaats]
(appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door K. Ait Moha.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als pedagogisch medewerker voor 19 uur per week. Op 23 mei 2017 heeft zij zich voor dit werk ziekgemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) is appellante op 8 maart 2019 door een verzekeringsarts op het spreekuur gezien. Deze arts heeft haar belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is tot haar eigen werk, maar zij wel de functies wikkelaar, samensteller kunststof- en rubberindustrie en machinaal metaalbewerker kan vervullen. Op basis daarvan is berekend dat appellante per 21 mei 2019 25,81% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft bij besluit van 8 april 2019 de WIA-aanvraag van appellante per 21 mei 2019 afgewezen, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit is zij na de hoorzitting op 12 november 2019 door een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht. Deze arts heeft informatie opgevraagd bij de behandelend huisarts en heeft bij Psyon psychiatrie om een expertiseonderzoek door een psychiater verzocht. Appellante heeft hierna op 10 januari 2020 psychiater Cohen bezocht, die op 24 februari 2020 aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd. Deze arts heeft vervolgens op 4 maart 2020 een rapport opgesteld, waaruit blijkt dat hij aanleiding heeft gezien de FML aan te passen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan de functie van samensteller kunststof- en rubberproducten niet langer geschikt geacht voor appellante en in plaats daarvan de reeds als reserve geselecteerde functie van samensteller metaalwaren voor de schatting gebruikt. Op basis daarvan en de onverminderd geschikt geachte overige functies is berekend dat appellante 27,57% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft daarom het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 april 2019 bij besluit van 17 maart 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht en de uitkomst ervan juist. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de onafhankelijkheid van deskundige Cohen. Allereerst is overwogen dat Cohen niet in dienst is bij het Uwv en hij ook geen behandelaar is van appellante. Hij werkt voor Psyon; een onafhankelijk bureau voor verzuim en arbeidsongeschiktheid, letselschade en voor second opinion. In het standpunt van appellante over de door haar gestelde (interne) werkwijze van Psyon is ook geen grond gezien om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van deze deskundige. Hierbij is betrokken dat Cohen zijn bevindingen en conclusies heeft gebaseerd op de overgelegde gegevens van de GGZpsychologen, de door de psycholoog van Psyon afgenomen sociobiografische anamnese en op zijn eigen psychiatrisch onderzoek van appellante. Daarnaast is de reactie van appellante op het conceptrapport meegewogen. De rechtbank heeft appellante verder niet gevolgd in haar standpunt dat Cohen altijd een ‘aanpassingsstoornis’ vaststelt, nu zij dit verder niet met gegevens heeft onderbouwd. Geconcludeerd is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich mede op het rapport van Cohen heeft mogen baseren en heeft mogen uitgaan van een aanpassingsstoornis. Deze arts beschikte volgens de rechtbank over voldoende gegevens om tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van appellante te komen. Voor meer psychische beperkingen of een urenbeperking heeft de rechtbank geen grond gezien. De door appellante ingebrachte brief van ARQ van 28 januari 2021, waaruit blijkt dat zij sinds 4 december 2019 en dus na de datum in geding in behandeling is, heeft niet geleid tot een ander oordeel nu de brief bovendien geen medische informatie bevat. De rechtbank heeft overwogen dat appellante verder geen nieuwe medische stukken in het geding heeft gebracht die leiden tot twijfel aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies, zodat geen grond is gezien een deskundige te benoemen. Tot slot is geen aanleiding gezien het oordeel van het Uwv, dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt, voor onjuist te houden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar gronden van bezwaar en beroep gehandhaafd. Zij houdt staande dat het Uwv zich niet had mogen baseren op het rapport van psychiater Cohen, omdat er twijfel bestaat over zijn deskundigheid en onafhankelijkheid. Cohen heeft ten onrechte overwogen dat appellante geen traumagerelateerde klachten of herbelevingen heeft die haar psychische klachten verklaren. Haar psychische klachten zijn wel degelijk door het ongeval van haar zus ontstaan. Appellante houdt voorts staande dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. Zij lijdt aan PTSS en depressie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had volgens appellante aanvullende beperkingen moeten verbinden aan de conclusie dat zij kampt met de gevolgen van het ongeval van haar zus. Uit de reeds ingebrachte medische informatie van Stichting Centrum ’45 en ARQ volgt dat zij meer beperkt is dan is vastgesteld. Omdat twijfel bestaat aan de beoordeling van haar belastbaarheid door het Uwv verzoekt appellante om inschakeling van een deskundige psychiater.

3.2.

Het Uwv heeft –onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 augustus 2021– bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend, en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank.

4.1.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door de

verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. De gronden die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.

4.1.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voorts terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de onafhankelijkheid van psychiater Cohen. De uitgebreide overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden geheel onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat psychiater Cohen vooringenomen en niet onafhankelijk zou zijn. Haar grond slaagt niet.

4.1.3.

Met de bevindingen uit zijn eigen onderzoek heeft Cohen zijn conclusie, dat bij het onderzoek de diagnoses angststoornis, PTSS en depressieve stoornis niet kunnen worden gesteld en hij uitgaat van een ongespecificeerde aanpassingsstoornis, voorzien van een inzichtelijke en overtuigende motivering. Verzekeringsarts bezwaar en beroep Hulst heeft zich daarom bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante, naast zijn eigen onderzoeksbevindingen zoals die naar voren komen uit het rapport van 4 maart 2020, mede op de conclusies van Cohen mogen baseren.

4.2.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen belastbaarheid van appellante. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven.

4.2.2.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat, omdat ten onrechte is uitgegaan van een aanpassingsstoornis in plaats van PTSS. Hiertoe wordt allereerst overwogen dat, zoals reeds herhaaldelijk is uitgesproken, niet de diagnose bepalend is voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is, maar diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1902, en 2 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7575). Voorts heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Hulst in het rapport van 4 maart 2020 overtuigend gemotiveerd hoe hij tot de vastgestelde belastbaarheid is gekomen. Verzekeringsarts bezwaar en beroep Bouma heeft daarna in hoger beroep in het rapport van 20 augustus 2021 overtuigend gemotiveerd waarom het standpunt van appellante geen aanleiding geeft meer beperkingen aan te nemen of uit te gaan van een andere ziektebeeld dan waarvan Hulst – op basis van de conclusies van psychiater Cohen – is uitgegaan. Appellante heeft deze conclusies niet onderbouwd betwist, zodat hierbij wordt aangesloten.

4.2.3

Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft voor een ander oordeel. Zij heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij op de datum in geding van 21 mei 2019, al dan niet voortkomend uit PTSS, meer beperkt is dan is vastgesteld.

4.2.4.

Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de beoordeling door het Uwv ontbreekt bestaat geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML wordt de rechtbank ook gevolgd in het oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Appellante heeft dit oordeel niet betwist.

5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevallier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) A.M.M. Chevalier

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158