Socialezekerheidsrecht

WGA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Centrale Raad van Beroep, 25 januari 2023

Zaakgegevens

Op 25 januari 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25 januari 2023
Datum publicatie
27 januari 2023
Zaaknummer
21/598 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2023:189
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WGA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

21 598 WIA

Datum uitspraak: 25 januari 2023

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 februari 2021, 20/921 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 23 september 2021 heeft het onderzoek ter zitting (via videobellen) plaatsgevonden.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

Vervolgens heeft de Raad bij uitspraak van 28 oktober 2021 de aangevallen uitspraak bevestigd.

Bij uitspraak van 7 april 2022 heeft de Raad de uitspraak van 28 oktober 2021 vervallen verklaard omdat de Raad ten onrechte heeft nagelaten het verzoek om wijziging van de zittingsdatum namens gemachtigde van appellant in behandeling te nemen waardoor er voor (de gemachtigde van) appellant geen mogelijkheid was zijn zaak ter zitting te bepleiten. Daarbij heeft de Raad bepaald dat de zaak door een andere kamer opnieuw zal worden behandeld.

Vervolgens heeft appellant zijn nadere hoger beroepsgronden ingestuurd.

Op 14 december 2022 is de zaak – door een andere kamer – behandeld. Namens appellant is mr. Akdeniz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant werkte tot 16 december 2013 als koerier voor 52 uur per week. Daarna ontving

hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 6 maart 2014 heeft hij zich

vanuit de WW ziek gemeld met lichamelijke klachten. Daarna was sprake van psychische

klachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 maart 2016 een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)

toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. De uitkering is

per 5 maart 2017 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

In verband met een herbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft in zijn rapport van 24 juli 2019 vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een

Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juli 2019. Een arbeidsdeskundige heeft

vervolgens op 21 augustus 2019 functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de

hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 24,56%.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 22 augustus 2019 vastgesteld dat appellant met ingang van

23 oktober 2019 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35%

arbeidsongeschikt is.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 maart

2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen ten grondslag een rapport

van 17 januari 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een aangescherpte FML van

24 januari 2020 en een rapport van 6 maart 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en

beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant aanvullend beperkt geacht

voor het omgaan met conflicten (item 2.8 van de FML) en heeft vastgesteld dat het

bovenhands werken gemaximeerd moet worden op de normaalwaarde (niet bovennormaal). In

de FML van 24 januari 2020 heeft hij op item 5.7 Boven schouderhoogte actief zijn vermeld:

‘0 normaal, (..) Toelichting: Niet bovennormaal (links)’. Vervolgens heeft de

arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant ondanks de aangescherpte

FML van 24 januari 2020 geschikt is voor de eerder geselecteerde functies. Verder heeft hij

de signaleringen toegelicht en in verband met een bijstelling van de maatgevende arbeid

(waardoor ook de reductiefactor is gewijzigd) het arbeidsongeschiktheidspercentage

gewijzigd vastgesteld op 23,06.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medisch oordeel

zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en heeft appellant

tijdens zijn spreekuur psychisch en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en

beroep heeft de rapporten van de revalidatieartsen F. Scheurs (Scheurs) van 25 september 2019 en V. Voerman (Voerman) van 8 oktober 2019 in zijn beoordeling betrokken. Volgens de rechtbank hoefde de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullend onderzoek te verrichten en is niet gebleken dat zijn rapport inconsistenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd.

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de belastbaarheid van appellant niet

onjuist ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische informatie van de

revalidatieartsen Scheurs en Voerman in zijn beoordeling betrokken. Verder heeft deze

verzekeringsarts op 27 november 2020 in reactie op de brieven van psycholoog E. Verhees

van 3 februari 2020 en 26 oktober 2020 en dus van na de datum in geding, geconcludeerd dat

daaruit niet blijkt dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische klachten

van appellant. Hij heeft over de door de huisarts ingevulde FML opgemerkt dat het uitsluitend

de taak is van de verzekeringsarts om de beperkingen van een verzekerde vast te stellen en

neer te leggen in een FML. Bovendien blijkt nergens uit dat de opmerkingen bij de FML

daadwerkelijk door de huisarts zijn gemaakt omdat een (naam)stempel en een handtekening

ontbreekt. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze conclusies

gevolgd. Volgens de rechtbank kunnen beperkingen in beginsel slechts worden aangenomen

als daaraan een medische geobjectiveerde aandoening ten grondslag ligt. De eigen opvatting

van appellant over de ervaren beperkingen zijn niet doorslaggevend. De rechtbank heeft het

verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen omdat de daarvoor

benodigde twijfel aan de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt.

2.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank

geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet voor appellant geschikt

zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de signaleringen van een afdoende

adequate toelichting voorzien.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is

aangenomen en dat de arbeidsdeskundige daardoor is uitgegaan van onjuiste informatie. Hij is

volledig arbeidsongeschikt en niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten. In zijn aanvullend hoger beroepschrift van 4 december 2022 heeft hij de gronden die hij eerder in beroep heeft aangevoerd, herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de

Wet WIA terecht met ingang van 23 oktober 2019 heeft vastgesteld op minder dan

35% en terecht de WGA-uitkering van appellant per die datum heeft beëindigd.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep

naar voren heeft gebracht. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt niet nader

onderbouwd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag

gelegde overwegingen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de Raad van oordeel is dat het in beroep door appellant ingestuurde exemplaar van de FML waarop opmerkingen zijn gemaakt, afkomstig is van de huisarts van appellant. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant namelijk ter zitting verklaard dat deze FML van de huisarts van appellant afkomstig is, wat ook blijkt uit het daarop vermelde faxnummer.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden

bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2023.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) E.X.R. Yi