Socialezekerheidsrecht

Beëindiging ZW-uitkering na eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling. Opdracht tot nader medisch onderzoek…

Centrale Raad van Beroep, 20 maart 2023

Zaakgegevens

Op 20 maart 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20 maart 2023
Datum publicatie
3 april 2023
Zaaknummer
22/3203 ZW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2023:626
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beëindiging ZW-uitkering na eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling. Opdracht tot nader medisch onderzoek. Proceskostenveroordeling.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 8 september 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:5204
  2. Centrale Raad van Beroep · 20 maart 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2023:626

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

22 3203 ZW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 september 2022, 21/4520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 maart 2023

Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen

Griffier: S. Pouw

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van den Os, advocaat, en [naam vriendin appellante] , een vriendin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2021 gegrond;

  • vernietigt het besluit van 6 oktober 2021;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

  • bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 3.348,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 49,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

In het kader van een eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling is appellante op 10 februari 2021 onderzocht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. Na onderzoek door een arbeidsdeskundige heeft het Uwv met het besluit van 5 maart 2021 (primair besluit) de
ZW-uitkering van appellante beëindigd met ingang van 6 april 2021. Tijdens de hoorzitting op 11 augustus 2021 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep met appellante gesproken. Hij heeft geen lichamelijk onderzoek gedaan omdat appellante inmiddels geopereerd was en de fysieke situatie gewijzigd was ten opzichte van de datum in geding. In verband met medicatiegebruik is de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Dit heeft geleid tot een nieuwe functieduiding. Met het besluit van 6 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard en de ZW-uitkering niet per 6 april 2021 maar per 16 oktober 2021 beëindigd.

De datum in geding in deze zaak is door het hanteren van een nieuwe uitlooptermijn

16 oktober 2021 geworden. Dat betekent dat als zich voor die datum relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de medische situatie daarmee rekening moet worden gehouden. In dit geval heeft op 14 juli 2021 een operatie aan de knie plaatsgevonden. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet heeft onderzocht, is het onderzoek naar de beperkingen van appellante op de datum in geding, 16 oktober 2021, onvoldoende zorgvuldig.

Er zal alsnog nader medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten plaatsvinden. Indien dit onderzoek leidt tot bijstelling van de FML dient eveneens een nadere arbeidskundige beoordeling plaats te vinden. Vervolgens dient het Uwv te bezien of het bestreden besluit, met nadere motivering, kan worden gehandhaafd, dan wel dat een nieuwe beslissing op bezwaar dient te worden genomen.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De vergoeding hiervoor bedraagt € 3.348,- (2 punten in beroep en 2 punten in hoger beroep). Aangezien appellante in hoger beroep geen griffierecht heeft betaald, dient het Uwv alleen het in beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.

(getekend) S. Pouw (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen