Socialezekerheidsrecht

Onbevoegd verklaring. Griffierecht te laat betaald bij de rechtbank. De rechtbank heeft het verzet hiertegen…

Centrale Raad van Beroep, 29 augustus 2024

Zaakgegevens

Op 29 augustus 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 augustus 2024
Datum publicatie
30 september 2024
Zaaknummer
23/3097 AOW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2024:1844
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onbevoegd verklaring. Griffierecht te laat betaald bij de rechtbank. De rechtbank heeft het verzet hiertegen ongegrond verklaard. Daarop heeft appellante de rechtbank verzocht die uitspraak te herzien. De rechtbank heeft het verzoek om herziening ongegrond verklaard en tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. De Raad zal zich onbevoegd verklaren.

Uitspraak

23 3097 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2023, 23/678 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 29 augustus 2024

Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt

Ter zitting van 29 augustus 2024 zijn partijen niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 9 juni 2021. In een uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank dit beroep, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht te laat is betaald. In een uitspraak van 3 november 2022 heeft de rechtbank het verzet hiertegen ongegrond verklaard. Appellante heeft vervolgens de rechtbank verzocht de uitspraak van 3 november 2022 te herzien.

De rechtbank heeft het verzoek om herziening ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.

De Raad komt tot het oordeel dat hij onbevoegd is van dit hoger beroep kennis te nemen. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en rechtseenheid acht de Raad zich bevoegd kennis te nemen van een tegen een uitspraak van de rechtbank op een herzieningsverzoek ingesteld hoger beroep, ongeacht of de rechtbank inwilligend dan wel afwijzend op het desbetreffende herzieningsverzoek heeft beslist. Dit is anders als het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, tweede en vierde lid, van de Awb. Daartegen kan geen hoger beroep worden ingesteld omdat aldus immers de door de wetgever bepaalde beperking van de hoger beroepsmogelijkheden zou worden doorbroken.

Het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist heeft betrekking op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Daartegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld. Nu hoger beroep niet mogelijk is, zal de Raad zich onbevoegd verklaren.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) M.L. Noort

Algemene wet bestuursrecht.