Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep door bestuursorgaan. De Centrale Raad van Beroep…

Centrale Raad van Beroep, 31 januari 2024

Zaakgegevens

Op 31 januari 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31 januari 2024
Datum publicatie
6 februari 2024
Zaaknummer
22/1052 WLZ
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2024:200
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep door bestuursorgaan. De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 875,-.

Uitspraak

Datum uitspraak: 31 januari 2024

22/1052 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 februari 2022, 20/2812

Partijen:

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Bij brief van 19 juni 2023 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.

Betrokkene heeft de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.

Appellant heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.

Vastgesteld wordt dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken.

Bij brief van 10 juli 2023 heeft betrokkene de Raad verzocht appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in beroep en hoger beroep voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft moeten maken.

Appellant voert geen verweer tegen dit verzoek voor zover dit ziet op de in hoger beroep gemaakte kosten, maar benoemt terecht dat hij in de uitspraak van de rechtbank reeds is veroordeeld tot vergoeding van de kosten die betrokkene in bezwaar en beroep heeft moeten maken, en dat daarom geen aanleiding bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van die kosten.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verweerschrift).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 875,-.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) A. Giesen