Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Bestuursorgaan is volledig tegemoet gekomen aan de…
Centrale Raad van Beroep, 8 februari 2024
ECLI:NL:CRVB:2024:230 · Centrale Raad van Beroep · 8 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2024-230
Zaakgegevens
Op 8 februari 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 februari 2024
- Datum publicatie
- 8 februari 2024
- Zaaknummer
- 21/2983 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2024:230
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Bestuursorgaan is volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant.
Uitspraak
21 2983 ZW
Datum uitspraak: 8 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2021, 19/975 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 16 november 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft verzocht om een zitting.
De Raad heeft het verzoek tot veroordeling in de proceskosten gelijktijdig met zaak 21/2984 WIA behandeld op een zitting van 16 november 2023. Voor appellante is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. In zaak 21/2984 WIA wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 november 2022 aan haar beroep is tegemoet gekomen.
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van het bezwaar heeft het Uwv reeds vergoed. De proceskosten in beroep worden begroot op € 2.187,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor een reactie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt). De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 875,- per punt). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.937,50.
Appellante heeft eveneens verzocht om vergoeding van kosten van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts drs. D. van Arkel. De facturen van verzekeringsarts van Arkel van 15 januari 2018, 10 juli 2020 en 11 september 2020 bedragen in totaal € 1.839,20 (inclusief omzetbelasting) en zien op in totaal 7,5 uren. Enkel de factuur van 11 september 2020 komt voor vergoeding in aanmerking omdat deze factuur betrekking heeft op onderhavige zaak. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat daarbij, conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003, moet worden uitgegaan van een maximaal uurtarief van € 142,75, wat inclusief omzetbelasting € 172,73 wordt. Dit betekent dat een bedrag van € 172,73 voor vergoeding in aanmerking komt. Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten door het Uwv bedraagt daarmee € 4.110,23.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.110,23;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.L. Noort, in tegenwoordigheid van N. Yalçinkaya als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2024.
(getekend) M.L. Noort
(getekend) N. Yalçinkaya