Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.
Centrale Raad van Beroep, 7 maart 2024
ECLI:NL:CRVB:2024:518 · Centrale Raad van Beroep · 7 maart 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2024-518
Zaakgegevens
Op 7 maart 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 maart 2024
- Datum publicatie
- 18 maart 2024
- Zaaknummer
- 22/2251 WMO15-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2024:518
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.
Uitspraak
22 2251 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 juni 2022, 21/3724 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Westerveld (college)
Datum uitspraak: 7 maart 2024
Zitting hebben: A. van Gijzen als voorzitter, K.H. Sanders en M.C. Stoové als leden
Griffier: M. Dafir
Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H. Wielsma.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in opeenvolgende besluiten voor de periode van 5 oktober 2020 tot en met 8 november 2022 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt met een omvang van – laatstelijk – 244 minuten per week in de vorm van zorg in natura.
In het besluit van 20 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning gehandhaafd op 244 minuten per week voor de periode van 5 oktober 2020 tot en met 8 november 2022. Het college heeft aanleiding gezien voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank.
Het college heeft op 27 februari 2024 een besluit van 9 augustus 2023 overgelegd, waarin aan appellant voor de periode van 14 augustus 2023 tot en met 13 augustus 2026 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning is verstrekt met een omvang van 150 minuten per week in de vorm van zorg in natura. Volgens het college is er geen sprake meer van procesbelang.
4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
Het geschil betreft de beoordeling van een reeds verstreken periode. Het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke ondersteuning in natura is niet mogelijk. Het is niet gesteld of gebleken dat appellant schade heeft geleden. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 6 maart 2024 meegedeeld dat appellant belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep met het oog op een gewenste wijziging van de verstrekte maatwerkvoorziening. De Raad constateert dat er op dit moment nog geen nieuwe melding is gedaan en dat er geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit 9 augustus 2023, waarin de omvang van huishoudelijke hulp is vastgesteld zonder extra tijd in verband met allergieën en met een lagere omvang in tijd dan nu in geschil is. Waarom er toch een toekomstig belang zou zijn, is de Raad niet duidelijk geworden en de gemachtigde van appellant is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen om dat toe te lichten. Daarom vindt de Raad het niet aannemelijk dat er nog toekomstig belang is. Ten slotte heeft het college ter zitting meegedeeld dat bij een nieuwe aanvraag een nieuwe beoordeling zal worden verricht op basis van de dan aan de orde zijnde feiten en omstandigheden.
Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellant nog procesbelang heeft. Gelet hierop wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) M. Dafir (getekend) A. van Gijzen
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep