Socialezekerheidsrecht

De Raad verklaart het verzet ongegrond. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Appellant heeft…

Centrale Raad van Beroep, 21 januari 2025

Zaakgegevens

Op 21 januari 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
28 januari 2025
Zaaknummer
24/394 PW-V
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:163
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Raad verklaart het verzet ongegrond. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Appellant heeft tijdens zijn vakantie geen maatregelen getroffen met betrekking tot het in ontvangst nemen van aangetekende post en/of de verzorging ervan; dit is een omstandigheid die voor risico van appellant komt.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 januari 2025

24/394 PW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2024, 23/2410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 4 juni 2024 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 november 2024. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 4 juni 2024 berust op de overwegingen dat het hoger beroepschrift niet de gronden van het hoger beroep bevat, dat appellant bij brieven van 7 maart 2024 en 8 april 2024 in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim binnen vier weken te herstellen maar deze termijnen ongebruikt heeft laten voorbijgaan en dat niet is gebleken van redenen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.

In verzet voert appellant aan dat hij in het buitenland verbleef en de aangetekende brief van 8 april 2024 voor ontvangst is getekend door de heer [naam] en dat hij die brief pas op 13 mei 2024 van hem heeft ontvangen. Tevens geeft appellant aan gronden te hebben ingediend op 21 mei 2024. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen omstandigheid gelegen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Dat appellant tijdens zijn vakantie geen maatregelen heeft getroffen met betrekking tot het in ontvangst nemen van aangetekende post en/of de verzorging ervan is een omstandigheid die voor zijn risico komt. Van de beweerde indiening van gronden op 21 mei 2024 heeft appellant geen bewijs overgelegd. Bovendien had dit de termijnoverschrijding evenmin verschoonbaar kunnen maken, omdat de gestelde termijn toen al ruimschoots was verstreken.

Dit betekent dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ter zake van het verzet is geen aanleiding.

Het betaalde griffierecht van € 138,- zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • verklaart het verzet ongegrond;

  • bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.

(getekend) E.C.G. Okhuizen

(getekend) F. Sporrel