Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Centrale Raad van Beroep, 6 augustus 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1022 · Centrale Raad van Beroep · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1022
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26/226 WLZ-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1022
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Uitspraak
26/226 WLZ-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 februari 2025, 23/3591 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 19 maart 2026 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 25 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 19 februari 2025 in afschrift aan partijen toegezonden. Omdat de rechtbank heeft geconstateerd dat de uitspraak niet juist was verzonden is een afschrift van de uitspraak opnieuw toegestuurd op 24 februari 2025. De termijn om hoger beroep in te stellen is zes weken en is aangevangen op 25 februari 2025. De laatste dag waarop tijdig hoger beroep kon worden ingesteld was 7 april 2025.
Appellante heeft op 14 oktober 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank ZeelandWestBrabant. De rechtbank heeft het beroepschrift op 26 januari 2026 ter verdere behandeling naar de Raad gestuurd, waar het is ontvangen op 27 januari 2026. Omdat het beroepschrift op 14 oktober 2025 bij de rechtbank is binnengekomen, geldt deze datum als ontvangstdatum van het hoger beroepschrift. Hiermee staat vast dat het hoger beroepschrift niet binnen de gestelde termijn is ingediend.
Appellante voert in verzet aan dat het aan het Zorgkantoor te wijten is dat zij niet tijdig in hoger beroep is gegaan. Zij stelt dat zij, op aandringen van het Zorgkantoor, heeft geprobeerd een zorgovereenkomst te sluiten, maar dat is niet gelukt. Toen het Zorgkantoor bleef weigeren persoonsgebonden budget uit te betalen, kon zij niet anders dan zich tot de rechter te wenden.
Uit wat door appellante is aangevoerd blijkt niet dat de Raad ten onrechte is overgegaan tot een vereenvoudigde behandeling van haar hoger beroep. Appellante was bekend met de termijn waarbinnen zij tijdig hoger beroep kon instellen. Als zij nog in gesprek was met het Zorgkantoor en het nog niet zeker was of zij in hoger beroep wilde gaan, had het op haar weg gelegen om binnen de gestelde termijn voorlopig hoger beroep in te stellen om de termijn veilig te stellen. Dat zij daartoe buiten haar schuld niet in staat was is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck