Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het verzet ongegrond. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen omstandigheid gelegen…
Centrale Raad van Beroep, 6 augustus 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1025 · Centrale Raad van Beroep · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1025
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/1188 PW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1025
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad verklaart het verzet ongegrond. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen omstandigheid gelegen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Dat appellant tijdens zijn afwezigheid geen maatregelen heeft getroffen met betrekking tot het in ontvangst nemen van aangetekende post of de verzorging ervan is een omstandigheid die voor zijn risico komt.
Uitspraak
24/1188 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2024, SGR 22/3170 PW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In een uitspraak van 10 februari 2026 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspaak waarin zijn beroep ongegrond is verklaard. De Raad heeft het hoger beroep van appellant in de uitspraak van 10 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend en er geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 19 maart 2024. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op 3 april 2024. De laatste dag waarop tijdig een hoger beroepschrift kon worden ingediend was 15 mei 2024. Het hoger beroepschrift is op 23 mei 2024 per email ontvangen. De termijn voor het indienen van het hoger beroep is dus overschreden.
Appellant heeft in het hoger beroepschrift toegelicht dat het te laat indienen van het hoger beroepschrift komt omdat, hij zoveel post had ontvangen dat er geen tijd overbleef om tijdig hoger beroep in te stellen.
In het verzetschrift van 15 maart 2026 geeft appellant aan dat hij nadrukkelijk had verzocht gehoord te worden. Appellant vermeldt ook dat hij duidelijk heeft gemaakt dat hij door de grote hoeveelheid brieven na terugkeer van een reis, niet de mogelijkheid had om het snel te beantwoorden.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen omstandigheid gelegen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Dat appellant tijdens zijn afwezigheid geen maatregelen heeft getroffen met betrekking tot het in ontvangst nemen van aangetekende post of de verzorging ervan is een omstandigheid die voor zijn risico komt.
Volgens vaste rechtspraak ligt het bovendien op de weg van een betrokkene om kennisneming en afhandeling van (belangrijke) poststukken tijdens zijn of haar afwezigheid mogelijk te maken. Dat heeft appellant niet gedaan.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet ook overigens geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck