Socialezekerheidsrecht

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen proces belang. Tussen partijen is niet meer in…

Centrale Raad van Beroep, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
25/836 AOW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1026
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen proces belang. Tussen partijen is niet meer in geschil dat appellant gedurende de periode in geding in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht en over die periode verzekerd is te achten voor de Nederlandse en niet voor de Poolse socialezekerheidswetgeving.

Uitspraak

25/836 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2025, 24/1192 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

SAMENVATTING

De Svb heeft op grond van in hoger beroep overgelegde stukken alsnog aannemelijk geacht dat appellant in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht gedurende de periode in geding. In verband daarmee heeft de Svb, na afstemming met het bevoegde Poolse orgaan, alsnog een A1-verklaring aan appellant verstrekt. Hierdoor is het procesbelang van appellant weggevallen. Hoger beroep niet-ontvankelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 juni 2026. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.

OVERWEGINGEN

Inleiding

  1. Bij besluit van 13 april 2023 heeft de Svb geweigerd om over 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 – de periode in geding – ten behoeve van appellant een A1verklaring af te geven, omdat op basis van de destijds beschikbare gegevens niet kon worden vastgesteld dat appellant in die periode in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht. Het bezwaar van appellant daartegen heeft de Svb bij besluit van 8 januari 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Appellant heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld en heeft daarbij een groot aantal stukken overgelegd. Op grond van deze stukken heeft de Svb alsnog aannemelijk geacht dat appellant in de periode in geding in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht en te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd. Verder heeft de Svb in vervolg op afstemming met het bevoegde Poolse orgaan, bij brief van 20 april 2026 alsnog een A1-verklaring aan appellant verstrekt met betrekking tot de periode in geding. In verband met een en ander heeft de Raad appellant schriftelijk gevraagd of hij het hoger beroep wil handhaven. Daarop heeft appellant niet gereageerd.

Het oordeel van de Raad

3. Tussen partijen is niet meer in geschil dat appellant gedurende de periode in geding in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht en over die periode verzekerd is te achten voor de Nederlandse en niet voor de Poolse socialezekerheidswetgeving. Omdat niet is gebleken dat appellant sinds 20 april 2026 nog enig procesbelang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, zal de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding, aangezien appellant pas in hoger beroep voldoende stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en J.H. Ermers en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) C.C.M. van ’t Hol

Zie het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2010, ECLI:NL:HR:BO5988.