Socialezekerheidsrecht

Vaststelling en terugvordering WAZ-uitkering. Het Uwv heeft terecht de WAZ-uitkering van appellant nader…

Centrale Raad van Beroep, 5 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
24/2419 WAZ
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1032
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vaststelling en terugvordering WAZ-uitkering. Het Uwv heeft terecht de WAZ-uitkering van appellant nader vastgesteld op basis van de fiscale winst die door appellant bij de belastingdienst is opgegeven en het teveel betaalde aan uitkering teruggevorderd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/2419 WAZ

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 oktober 2024, 23/1589 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 de WAZ-uitkering van appellant nader heeft vastgesteld en een bedrag van € 5.235,66 (bruto) aan te veel betaalde WAZ-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak, gedeeltelijk via beeldbellen, behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 25 februari 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Daarnaast verricht appellant werkzaamheden binnen zijn eigen bedrijf. De inkomsten van appellant uit deze werkzaamheden zijn jaarlijks beoordeeld in het kader van de WAZ-uitkering, zo ook voor het jaar 2020.

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2023 heeft het Uwv de WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 nader vastgesteld, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% . Bij besluit van 28 februari 2023 heeft het Uwv een bedrag van € 5.235,66 (bruto) aan te veel betaalde WAZ-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 17 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 27 februari 2023 en 28 februari 2023 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het Uwv het inkomen van appellant moet korten op zijn WAZ-uitkering en dat het Uwv terecht de WAZ-uitkering van appellant nader heeft vastgesteld op basis van de fiscale winst die door appellant bij de belastingdienst is opgegeven. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in het standpunt dat uit vaste rechtspraak volgt dat moet worden uitgegaan van de fiscale keuzes die iemand heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hiervan kan worden afgeweken.

2.2.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet wordt gevolgd in het standpunt dat de besluitvorming in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat hij hierdoor te weinig inkomen overhoudt. Artikel 58 van de WAZ is een wet in formele zin waarbij geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter (een bepaling uit) een wet in formele zin niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan artikel 58 van de WAZ alleen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel als de wetgever bij de totstandkoming van de wet bijzondere omstandigheden niet of niet volledig onder ogen heeft gezien en die omstandigheden meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. In dat geval kan de bestuursrechter de wet in een concreet geval buiten toepassing laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen omstandigheden gezien waarmee niet al door de wetgever rekening is gehouden.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft verwezen naar de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de nadere vaststelling en terugvordering van de WAZ-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAZ wordt, indien de verzekerde, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.

5.2.

In het zevende lid, eerste volzin, van artikel 58 van de WAZ is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Deze ministeriële regeling is de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (Regeling).

5.3.

In artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat onder inkomen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de WAZ wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming.

5.4.

De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig en voldoende gemotiveerd besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.5.

In beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat de winst uit zijn onderneming over meerdere jaren zou moeten worden gemiddeld om tot een juiste inkomensberekening te komen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank volgt dat tijdens de zitting met appellant is besproken dat hij hiertoe een verzoek tot middeling bij de Belastingdienst kan indienen. Het is niet duidelijk of appellant daadwerkelijk een dergelijk verzoek heeft ingediend. Het Uwv heeft ter zitting verklaard dat, als de Belastingdienst op een eventueel verzoek tot middeling positief zou hebben beslist, er geen aanleiding is om de nadere gegevens van de Belastingdienst niet alsnog te volgen.

Conclusie en gevolgen

5.6.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de nadere vaststelling en terugvordering van de WAZ-uitkering in stand blijven.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en D.S. de Vries en G.C. Boot als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.


(getekend) T. Dompeling

(getekend) G.T. Hunsel