Socialezekerheidsrecht

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per…

Centrale Raad van Beroep, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
25/1376 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1037
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 september 2022 heeft vastgesteld op 67,71%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

Uitspraak

25/1376 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 mei 2025, 24/5987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de korpschef van politie te Apeldoorn (ex-werkgever)

Datum uitspraak: 30 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 september 2022 heeft vastgesteld op 67,71%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.R. Jonkman, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De ex-werkgever heeft te kennen gegeven als derde-belanghebbende deel te nemen aan het geding.

Omdat appellante geen toestemming heeft gegeven om haar medische gegevens aan de (ex)werkgever te verstrekken, heeft de Raad onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de ex-werkgever.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Piggelen. De ex-werkgever is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als hoofdagent voor 22,24 uur per week. Op 31 mei 2017 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, 27 mei 2020, werd vastgesteld op minder dan 35%. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 6 april 2023 heeft appellante een herbeoordeling aangevraagd, omdat zij op 19 september 2022 was ziekgemeld voor werkzaamheden waarin zij bij haar exwerkgever was hervat. Vervolgens heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat per 19 september 2022 sprake was van toegenomen beperkingen, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere WIA-beoordeling. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 mei 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar maatmanfunctie. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 60,06%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2023 aan appellante met ingang van 19 september 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 7 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat om de medische beoordeling door het Uwv onjuist te achten. Er zijn geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen moet worden getwijfeld. De artsen van het Uwv hebben de informatie van de behandelende sector kenbaar bij de beoordeling betrokken en mede op basis van de eigen onderzoeksbevindingen de beperkingen in een FML vastgesteld. Ook heeft de rechtbank de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de vastgestelde urenbeperking navolgbaar geacht. Op grond van energetische overwegingen en preventieve gronden is uitgegaan van een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien voor een verdergaande urenbeperking op grond van beperkte beschikbaarheid, omdat bij appellante geen sprake is geweest van een dagbehandeling. Verder heeft de rechtbank geen reden gezien de geduide functies niet passend te achten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij niet geschikt is voor de geselecteerde functies. Zij heeft aanvullende medische informatie overgelegd, waaronder informatie van haar huisarts en een gecombineerd psychiatrisch verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 13 oktober 2025 van WPEX, dat is opgesteld voor de ex-werkgever ten behoeve van re-integratie. Volgens appellante blijkt uit deze informatie en andere medische informatie dat haar beperkingen zijn onderschat.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In verband met in hoger beroep aangevoerde arbeidskundige gronden heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 september 2025 ingediend, waarbij de schatting is gebaseerd op deels andere functies, wat heeft geleid tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 67,71%. Ook heeft het Uwv nog een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 januari 2026 ingediend.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

5.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De overwegingen van de rechtbank op grond waarvan de medische grondslag van het bestreden besluit juist is geacht, worden volledig onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 januari 2026 opgemerkt dat uit de informatie van de huisarts niet blijkt van nieuwe inzichten over de klachten of beperkingen van appellante op de datum in geding. Ook in het rapport van WPEX heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien tot wijziging van zijn standpunt, omdat het onderzoek van WPEX niet ziet op de datum in geding. Het Uwv heeft op navolgbare wijze toegelicht waarom de door appellante overgelegde medische gegevens de beoordeling niet anders maken. Met betrekking tot het syndroom, dat niet door het Uwv zou zijn meegenomen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat met alle beperkingen, die in de FML van 6 mei 2023 zijn opgenomen, geen aanleiding bestaat om deze FML te herzien. Dit gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd.

Arbeidskundige beoordeling

5.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 september 2025 toegelicht op grond waarvan enkele door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet als passend kunnen worden aangemerkt, welke functies wel passend zijn en welke gevolgen dit heeft voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Er is geen reden om aan die toelichting te twijfelen. Het Uwv heeft voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.

5.5.

Wat appellante ter zitting heeft aangevoerd over een allergie, die een belemmering zou vormen om functies te vervullen, slaagt evenmin. Het Uwv heeft toegelicht dat dit aspect in de geselecteerde functies niet voorkomt. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de functies in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.6.

Omdat het Uwv in hoger beroep de mate van arbeidsongeschiktheid heeft gewijzigd, wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en het bestreden besluit vernietigd. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 6 juni 2023 te herroepen en te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van de WIA-uitkering van appellante per 19 september 2022 67,71% bedraagt.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar en in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 666,-). De proceskosten voor verleende rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 934,- per punt) en in hoger beroep op € 1.868,- (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal dus € 4.134,-.

7. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2024 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 6 juni 2023 voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 60,06%

- stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 september 2022 vast op 67,71% en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 augustus 2024;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.134,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 194,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.


(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S.P.A. Elzer