Socialezekerheidsrecht

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende…

Centrale Raad van Beroep, 27 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 27 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27 augustus 2026
Datum publicatie
28 augustus 2026
Zaaknummer
25/1797 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1128
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de geduide functies in medisch opzicht passend voor appellante.

Uitspraak

25/1797 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juli 2025, 24/2774 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 21 juni 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Voor appellante is mr. Schoonbrood verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor gemiddeld 39,25 uur per week. Op 23 juni 2021 heeft zij zich ziekgemeld. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Een verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 augustus 2023. Daarin is onder meer een urenbeperking tot 32 uur per week opgenomen. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 4 september 2023 geweigerd appellante met ingang van 21 juni 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 22 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 5 maart 2024 gerapporteerd dat appellante meer beperkingen heeft dan eerder is vastgesteld en de FML aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geselecteerde functies bekeken en vastgesteld dat één van de reservefuncties niet geschikt is. Het vervallen van die functie heeft geen gevolgen voor het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de in bezwaar gewijzigde FML. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er op de datum in geding al sprake was van carpaal tunnelsyndroom. Zij heeft op het spreekuur bij de verzekeringsarts niet gemeld dat zij last heeft van klachten aan haar rechterhand en de informatie van de neuroloog van 10 maart 2024, waarin hij beschrijft dat appellante sinds een paar maanden last had van haar rechterhand, is van geruime tijd na de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder inzichtelijk gemotiveerd waarom hij geen nadere beperkingen heeft aangenomen met betrekking tot het vasthouden en verdelen van de aandacht, de gestelde fysieke beperkingen en de urenbeperking. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen in te willigen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de grond van appellante dat zij de functies niet kan verrichten feitelijk is gericht tegen de in de FML vastgelegde belastbaarheid, waarover hiervoor is geoordeeld dat niet wordt getwijfeld aan de juistheid daarvan.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen niet juist zijn vastgelegd in de FML. De klachten aan haar rechterhand bestaan al langer en waren ook op de datum in geding aanwezig. Ook haar andere klachten zijn niet goed ingeschat. De Raad oordeelt dat deze gronden niet slagen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 maart 2024 uitgebreid alle klachten van appellante besproken en heeft toegelicht hoe die klachten vertaald worden naar beperkingen in de FML. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn ook al in beroep aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden besproken en geoordeeld dat ze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden of medische stukken ingediend waarmee haar stellingen worden onderbouwd.

Arbeidskundige beoordeling

5.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de geduide functies in medisch opzicht passend voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5.4.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Het verzoek om vergoeding van schade wordt afgewezen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.


(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) M.J.D. van Haren