Socialezekerheidsrecht

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische…

Centrale Raad van Beroep, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
25/1507 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1150
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functie zijn geschikt voor appellant.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1507 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2025, 24/8121 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever)

Datum uitspraak: 2 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 5 juli 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de ex-werkgever van appellant, [ex-werkgever B.V.] , heeft mr. A.M. van Capelle aangegeven als derde-belanghebbende als partij aan het geding te willen deelnemen en heeft een zienswijze ingediend.

Zowel appellant als het Uwv hebben nadere stukken ingestuurd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Namens appellant is mr. Haze verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers. De exwerkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Capelle.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als IT support engineer voor 39,77 uur per week. Hij heeft zich op 9 juli 2019 ziek gemeld na een verkeersongeval.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft onderzoek plaatsgevonden door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsartsen hebben appellant op spreekuur gezien en hebben in hun rapporten van 29 juni 2021 en 3 november 2022 geconcludeerd dat sprake is van benutbare mogelijkheden en dat appellant beperkt is in verband met fysieke en psychische problematiek. De beperkingen van appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden lijst (FML) van 3 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 16 november 2022 vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste loonwaarde de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 23,34%.

1.3.

Bij besluit van 22 november 2022 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 5 juli 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juni 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 juli 2024 ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft appellant op een spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht en heeft het oordeel van de primaire verzekeringsarts gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat één van de eerder geselecteerde functies niet passend is en heeft een nieuwe functie geselecteerd. Zij heeft het maatmanloon gecorrigeerd en heeft geconcludeerd dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt blijft, en wel 25,75%.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het medisch onderzoek is volgens de rechtbank zorgvuldig en juist geweest. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie op de datum in geding en meer beperkingen had moeten aannemen. De primaire verzekeringsarts heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geconcludeerd dat de grondslag voor de arbeidsbeperkingen is gelegen in klachten aan het bewegingsapparaat, in het bijzonder de wervelkolom en extremiteiten, in combinatie met traumagerelateerde psychische klachten. Haar conclusies komen volgens de rechtbank logisch voort uit de voorliggende onderzoeksresultaten. Appellant is aangewezen op relatief eenvoudig, voorspelbaar en stressarm werk, waarbij aanzienlijke beperkingen zijn aangenomen voor specifieke werkdruk gerelateerde factoren en psychisch belastende aspecten. Daarnaast is rekening gehouden met de specifieke klachten aan de wervelkolom door appellant aangewezen te achten op fysiek relatief lichte en met name rug- en nek sparende arbeid. Ook is expliciet rekening gehouden met de effecten van het medicatiegebruik op het reactievermogen. In bezwaar zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Hoewel er beperkingen gelden ten aanzien van de kracht in de bovenste extremiteiten, is niet gebleken dat de motoriek of kracht van de handen van appellant evident gestoord was. De primaire verzekeringsarts heeft frequent reiken beperkt geacht en appellant heeft daar niets tegenover gesteld. Deze motivering is volgens de rechtbank voldoende en wordt gevolgd. Appellant heeft geen stukken overgelegd die de rechtbank doen twijfelen. De brief van zijn fysiotherapeut van 15 mei 2025 bevat geen nieuwe informatie over de datum in geding, Volgens de rechtbank zijn de beperkingen in de FML van 3 november 2022 juist vastgesteld.

2.2.

De rechtbank heeft niet getwijfeld aan de geschiktheid van de geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 juli 2024, in aanvulling op de toelichting van de arbeidsdeskundige en na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, voldoende uitgelegd waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is de informatie van de fysiotherapeut van 15 mei 2025 wel degelijk bruikbaar. Appellant wordt al jaren door hem behandeld en hij heeft daardoor een goed beeld gekregen van (het verloop van) zijn klachten en van de blijvende klachten van de gehele wervelkolom, bekken en heup bij langdurig passieve houdingen zoals bij zitten, staan, transfers, reiken en bukken. De klachten zijn sinds de datum in geding onverminderd aanwezig. In de FML van 3 november 2022 is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met zijn fysieke en mentale klachten en de forse pijnklachten, waardoor de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het standpunt van de ex-werkgever

5. De ex-werkgever heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

Het oordeel van de Raad

6.1.

In geschil is of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellant per 5 juli 2022 een WIA-uitkering te verstrekken omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

6.2.

Wat appellant heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld, bevat de informatie van de fysiotherapeut van 15 mei 2025 geen nieuwe informatie over de datum in geding, zijnde 5 juli 2022, en kan die informatie niet afdoen aan de beoordeling van de verzekeringsartsen.

Conclusie en gevolgen

6.3.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant per 5 juli 2022 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.


(getekend) S. Wijna

(getekend) B. Uçurum