Socialezekerheidsrecht

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid van de WGA-loonaanvullingsuitkering op 64,51%. De Raad volgt het…

Centrale Raad van Beroep, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
23/1449 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1151
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid van de WGA-loonaanvullingsuitkering op 64,51%. De Raad volgt het oordeel van de benoemde deskundige. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom de door appellant ingeschakelde deskundige niet kan worden gevolgd in haar conclusies dat appellant ten aanzien van de duurbelastbaarheid en het staan meer beperkt is. Uitgaande van de juistheid van de FML van 13 januari 2022 zijn de geselecteerde functies geschikt voor appellant.

Uitspraak

23/1449 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2023, 22/2474 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van de WGA-loonaanvullingsuitkering per 25 maart 2021 heeft vastgesteld op 64,51%. Volgens appellant heeft het Uwv zijn beperkingen ten aanzien van duurbelastbaarheid onjuist vastgesteld en kan hij één van de voor hem geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koolhoven, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 januari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koolhoven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Anandbahadoer.

De Raad heeft het onderzoek heropend en vervolgens M. Vervoort, verzekeringsarts, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 10 maart 2025 een rapport uitgebracht.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaak behandeld op een nadere zitting van 15 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koolhoven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als voorman vrachtafhandeling voor gemiddeld 38,14 uur per week. Op 20 augustus 2017 heeft hij zich ziekgemeld met rugklachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 18 augustus 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het Uwv deze loongerelateerde uitkering van appellant zonder voorafgaande medische beoordeling met ingang van 18 augustus 2021 omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 80 tot 100% bedroeg.

1.2.

Met een door het Uwv op 25 maart 2021 ontvangen formulier heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn medisch toestandsbeeld is verslechterd. Appellant ondervindt meer pijnklachten, slaapt slechter en ondervindt meer last met lopen. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan een sociaal-medische beoordeling verricht. In het kader van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts onder meer informatie ingewonnen bij de behandelend orthopedisch chirurg/wervelkolomchirurg en een revalidatiegeneeskundige expertise aangevraagd bij D.C. Verzuim Diagnostiek. De verzekeringsarts heeft na bestudering van de aldus verkregen informatie vastgesteld dat er nog ruimte is voor behandeling en een IVAuitkering niet aan de orde is. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de beperkingen van appellant ongewijzigd zijn ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd voor de Wet WIA in 2019 en heeft appellant per 29 april 2021 belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden lijst (FML) van 13 juli 2021. Een arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 100% omdat hij uitgaande van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid geen functies heeft kunnen selecteren. Bij besluit van 27 juli 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.

1.3.

In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant uitgenodigd op het spreekuur en onderzoek gedaan. Na het spreekuur heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend telefonisch contact gehad met appellant en informatie ingewonnen bij de behandelend orthopedisch chirurg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende objectieve onderbouwing is voor de ernst van een aantal primair aangenomen beperkingen. Dit geldt onder meer voor zitten en staan tijdens het werk en de duurbelastbaarheid. De duurbelastbaarheid is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader vastgesteld op zes uur per dag en dertig uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen vastgelegd in een nieuwe FML van 13 januari 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 64,51%. Het Uwv heeft appellant bij brief van 7 februari 2022 op de hoogte gesteld van het voornemen het besluit van 27 juli 2021 te wijzigen in die zin dat appellant per 25 maart 2021 meer arbeidsgeschikt is dan voorheen en dat de hoogte van zijn loonaanvullingsuitkering niet wijzigt. Appellant heeft op dit voornemen gereageerd en gesteld dat hij recht heeft op een IVA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 8 maart 2022 aanvullend gerapporteerd dat zij geen aanleiding ziet voor wijziging van haar standpunt. Bij besluit van 29 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, vastgesteld dat appellant per 25 maart 2021 meer arbeidsgeschikt is en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 64,51%.

Procedure in beroep

2.1

In beroep is door appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen te licht heeft ingeschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een expertiserapport van 18 januari 2023 van verzekeringsarts L. GrevelingFockens ingezonden. Greveling-Fockens heeft daarin beschreven dat bij appellant op de datum in geding, 25 maart 2021, sprake was van aspecifieke chronische lage rugklachten/pijnsyndroom met lichte tot matige slijtage bij beeldvormend onderzoek waarbij appellant forse beperkingen ervaart in de mobiliteit, daginvulling en sociale activiteiten. Volgens Greveling-Fockens heeft het Uwv onvoldoende inzichtelijk toegelicht waarom de in 2019 en in de FML van 13 juli 2021 gehanteerde urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week nu bij de herbeoordeling in bezwaar door de verzekeringsarts bezwaar en beroep te zwaar is bevonden en daarom is aangepast naar zes uur per dag en dertig uur per week. Greveling-Fockens heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant vanwege energetische redenen bij een chronisch pijnsyndroom vier uur per dag en twintig uur per week belastbaar is zodat er voldoende ruimte blijft voor recuperatie. Volgens Greveling-Fockens dient ook de belastbaarheid voor staan te worden aangepast. Appellant is volgens haar niet in staat om de helft van de werkdag te staan. Vanwege de rugklachten van appellant is dit beperkt tot één uur per werkdag.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 30 januari 2023 gerapporteerd dat zij Greveling-Fockens niet volgt in haar conclusies. Het ontbreken van dagelijks terugkerende, noodzakelijk verhoogde recuperatieperioden in samenhang met de aard en ernst van de aandoening en de onderzoeksbevindingen maakt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een verdere beperking van de duurbelastbaarheid dan zes uur per dag en dertig uur per week niet noodzakelijk is. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft Greveling-Fockens haar standpunt dat appellant geen vier uur per dag kan staan omdat dit te belastend is voor zijn rug niet voldoende onderbouwd.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen in geschil is of het Uwv de belastbaarheid van appellant ten aanzien van werktijden (rubriek 6 van de FML) en staan tijdens het werk (belastingitem 5.4.1) juist heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd waarom zij appellant zes uur per dag en dertig uur per week belastbaar acht. De rechtbank heeft in dit kader overwogen dat in het rapport van de revalidatiearts van D.C. Verzuim Diagnostiek van 12 juli 2021 is vermeld dat appellant overdag alleen bij vermoeidheid ligt en dat dit ongeveer drie keer per week is. Uit het dagverhaal bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt niet van een verhoogde recuperatiebehoefte. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd dat de urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week voldoende ruimte biedt voor ontspanningsoefeningen en meerdere kortere rustmomenten gedurende de dag. Het rapport van Greveling-Fockens heeft de rechtbank onvoldoende overtuigd dat de door het Uwv aangenomen urenbeperking onjuist is. Ook wat betreft het item staan tijden het werk heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. Bij onderzoek aan de rug zijn geen ernstige bewegingsstoornissen en uitvalsverschijnselen geobjectiveerd en de conclusie van Greveling-Fockens dat appellant maximaal een uur per dag kan staan wordt niet met (objectieve) onderzoeksgegevens onderbouwd. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond wordt gezien voor het oordeel dat de belasting in de in bezwaar geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt, zodat deze functies voor hem geschikt worden geacht.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij door het gewijzigd inzicht van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een slechtere positie is gebracht en dat dit in strijd is met het door het Uwv voorgestane uitgangspunt van burgergerichte heroverweging. Volgens appellant heeft de rechtbank de conclusies van Greveling-Fockens ten onrechte terzijde geschoven. Appellant heeft aangevoerd dat zijn medische situatie niet is gewijzigd ten opzichte van eerdere beoordelingen in 2019 en 2021, waarbij een beperking in de duurbelastbaarheid werd aangenomen van vier uur per dag en twintig uur per week. Appellant acht het onzorgvuldig dat nu wordt aangenomen dat hij zes uur per dag en dertig uur per week belastbaar is. Greveling-Fockens heeft volgens appellant terecht gesteld dat er geen één-op-één relatie bestaat tussen klachten en afwijkingen bij beeldvormend onderzoek. De omstandigheid dat er geen anatomisch substraat is gevonden doet hier niet aan af. Ook D.C. Verzuim Diagnostiek heeft benoemd dat de ernst van zijn beperkingen groot is. Appellant heeft verder aangevoerd dat een handchirurg in 2022 een ulnaropathie heeft vastgesteld ter hoogte van het kanaal van Guyon aan zijn rechterhand. Appellant verzoekt de Raad een deskundige te benoemen. Appellant stelt zich verder op het standpunt dat de functie productiemedewerker metaalbewerking (SBC-code 264122) niet passend is omdat zijn belastbaarheid daarin wordt overschreden. Een overschrijding van zijn belastbaarheid ten aanzien van lopen en staan met één uur eens per twee tot drie weken acht hij niet acceptabel.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2023 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 64,51% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

5.2.

Uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat partijen van mening verschillen over de omvang van de duurbelastbaarheid en de belastbaarheid van appellant ten aanzien van staan en lopen en of dit incidenteel (eens in de twee tot drie weken) mogelijk is gedurende vijf uur per werkdag.

5.3.

Omdat de Raad niet goed kan beoordelen of met de urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week op voldoende wijze rekening wordt gehouden met de medische problematiek van betrokkene per 25 maart 2021 en de Raad ook nader geïnformeerd wil worden over de mogelijkheden van appellant ten aanzien van staan, heeft de Raad het noodzakelijk geacht zich te laten adviseren door verzekeringsarts Vervoort als deskundige (deskundige).

5.4.

De deskundige heeft geconcludeerd dat bij appellant op de datum in geding sprake is van chronische aspecifieke lage rugklachten, matige facetartrose laaglumbaal en enige discopathie L4-L5 zonder wortelcompressie met pseudoradiculaire klachten rechts. Ook is er sprake van een somatische symptoom stoornis, differentiaaldiagnose aanpassingsstoornis en gegeneraliseerde angststoornis. Uit de medische informatie van de behandelaars blijkt dat er geen evidente veranderingen in de wervels zijn ontstaan sinds de beoordeling per einde wachttijd in 2019. De deskundige ziet geen argumenten om de voor appellant in de FML van 13 januari 2022 benoemde fysieke beperkingen onjuist te achten. De ernst van de geobjectiveerde afwijkingen van de wervels is volgens de deskundige niet van dien aard dat de minimale belasting van de rug, die volgt uit de beperkingen die zijn opgenomen in de FML in passende arbeid niet mogelijk zou zijn. Dat blijkt ook uit het dagverhaal van appellant destijds waarbij hij (tot op heden) in staat was zelfstandig voor zijn zoon te zorgen. De deskundige acht de beschrijvingen van de artsen, zoals de behandelend orthopedisch chirurg en de arts verbonden aan D.C. Verzuim Diagnostiek, illustratief voor de discrepantie tussen de ervaren belemmeringen van appellant en het lichamelijk onderzoek waarbij de bewegingen en overige observaties zijn beschreven. De deskundige onderschrijft het standpunt van Greveling-Fockens dat er geen één-op-één relatie is tussen objectieve afwijkingen en de ernst van de ervaren belemmeringen, maar volgens de deskundige is in het geval van appellant wel degelijk een inschatting te maken. Volgens de deskundige heeft Greveling-Fockens te veel gewicht gehecht aan de in het kader van de re- integratieverplichting gehanteerde urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week, die initieel door het Uwv is gehanteerd, maar waarvan uit een medisch rapport (van 1 juli 2019) en het deskundigenoordeel van 25 oktober 2018 blijkt dat destijds al is overwogen dat deze urenbeperking te fors geacht werd. Een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week is volgens de deskundige mede gelet op de reeds toegekende persoonlijke, sociale en fysieke beperkingen niet passend bij de objectieve medische problematiek van appellant. Gelet op het feit dat geen sprake is van een ernstige medische problematiek, het dagverhaal van appellant, de mogelijkheid van appellant om zijn kind zelfstandig gedurende de dag te verzorgen en de objectieve gegevens vanuit de behandelend sector en externe expertises acht de deskundige een urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week passend. De deskundige heeft zich ook kunnen vinden in de voor appellant vastgestelde beperkingen voor lopen en/of staan en zich op het standpunt gesteld dat de subtiele mate van overschrijding van de belastbaarheid van appellant mogelijk is. De geselecteerde functies zijn volgens de deskundige in overeenstemming met de belastbaarheid van appellant (ten aanzien van staan). Bij de functies van machinaal metaalbewerker (waarbij eenmaal per twee/drie weken er meer wordt gestaan, waarbij afwisseling in staan en lopen mogelijk is), administratief ondersteunend medewerker en telefonist/medewerker callcenter is sprake van functies waarbij er nagenoeg geen belasting is van de rug. De deskundige heeft geen medische redenen gezien om aan te nemen dat appellant in deze functies onvoldoende mogelijkheid heeft tot tussentijds rekken, vertreden of staan zoals door appellant ook tijdens haar expertiseonderzoek is gedaan. De deskundige heeft geconcludeerd dat de voor appellant in de FML van 13 januari 2022 vastgelegde belastbaarheid onderschreven kan worden.

5.5.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft inzichtelijk beargumenteerd waarom Geveling-Fockens niet gevolgd kan worden in haar conclusies dat appellant ten aanzien van de duurbelastbaarheid en staan meer beperkt is te achten. Wat appellant in reactie op het rapport van de deskundige heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. De vraagstelling aan de deskundige is, zoals besproken ter zitting, expliciet beperkt tot de vraag of de belastbaarheid van appellant ten aanzien van de duurbelastbaarheid en staan juist is vastgesteld. De omstandigheid dat de deskundige in het rapport heeft vermeld dat bij appellant sprake is van een somatisch systeemstoornis, differentiaaldiagnose aanpassingsstoornis en gegeneraliseerde angststoornis, maakt dit niet anders. De deskundige heeft hierin kennelijk geen aanleiding gezien voor meer beperkingen en ook overigens heeft appellant niet eerder gesteld dat hij op psychische gronden meer beperkt te achten is of stukken ingezonden die dit standpunt kunnen onderbouwen.

5.6.

Appellant heeft ter zitting van de Raad meer expliciet aangevoerd dat de aandoeningen aan zijn rechter(voorkeurs)hand, de ziekte van Dupuytren, waarvan hij veel beperkingen ervaart en die zijn slaap verstoren, ten onrechte niet zijn erkend en onderzocht door de artsen van het Uwv. Ook door de deskundige van de Raad is volgens hem geen gedegen onderzoek verricht naar deze klachten. Wat appellant heeft aangevoerd over zijn handklachten heeft de Raad geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 31 juli 2023 onder meer genoteerd dat de aandoening ulnaropathie na de datum in geding is geconstateerd en geen betrekking heeft op de datum geding. De door appellant ingeschakelde deskundige Greveling-Fockens, die kennis heeft genomen van informatie van handschirurg Zwanenburg van 25 oktober 2022, heeft geen reden gezien om beperkingen aan te nemen voor hand- en vingergebruik op de datum in geding. Hoewel de vraagstelling aan de deskundige van de Raad met instemming van partijen beperkt is gebleven tot de vraag naar de belastbaarheid van appellant voor staan, lopen en werktijden, blijkt uit pagina negen van het rapport van de deskundige dat zij ook gekeken heeft naar de functie van de rechter hand van appellant. De deskundige heeft naar aanleiding van haar bevindingen kennelijk geen reden gezien beperkingen te stellen ten aanzien van de handfunctie op de datum in geding.

5.7.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen in de FML van 13 januari 2022 heeft de Raad geen aanknopingspunten dat appellant de voor hem geselecteerde functies niet kan vervullen.

Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

6.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.

6.2.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

6.3.

Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 5 augustus 2021 tot deze uitspraak is, afgerond naar boven, vijf jaar verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met afgerond naar boven een jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.

6.4.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 29 maart 2022 (afgerond naar boven) acht maanden geduurd en de behandeling in de rechterlijke fase vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 6 mei 2022 tot de datum van de uitspraak afgerond naar boven vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bestuurlijke en de rechterlijke fase is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase komt voor rekening van het Uwv en het resterende deel voor rekening van de Staat. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 166,67 ,- (2/12 deel van € 1.000,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 833,33 ( 10/12 deel van € 1.000,-).

Conclusie en gevolgen

6.5.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de WGAloonaanvullingsuitkering per 25 maart 2021 op 64,51% in stand blijft.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

7.1.

In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding de Staat en het Uwv beide voor de helft veroordeeld in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (één punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5), dus € 233,50 voor de Staat en € 233,50 voor het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 833,33,-;

  • veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 166,67;

  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50,-;

  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door A.I van der Kris, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) N. Gios

Het gaat hier om een werkdag per twee tot drie weken waarop een nieuw te bewerken doek moet worden voorbereid. Er moet dan tijdens vijf werkuren dertigmaal ongeveer een minuut achtereen worden gestaan. Er is dan sprake van afwisseling tussen lopen en staan, waarbij vanwege de dynamiek tussen lopen en staan geen gebruik kan worden gemaakt van een sta-hulp.