Socialezekerheidsrecht
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische…
Centrale Raad van Beroep, 9 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1171 · Centrale Raad van Beroep · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1171
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 14 september 2026
- Zaaknummer
- 25/1420 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1171
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 18 november 2022 zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt te achten voor appellante.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1420 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juni 2025, 24/135 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever)
Datum uitspraak: 9 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 13 juli 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C. Steijgerwalt hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Op 28 mei 2026 heeft de gemachtigde van appellante de Raad schriftelijk bericht dat de Raad op basis van de stukken en zonder zitting uitspraak kan doen. Ook het Uwv en de exwerkgever hebben, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als hoofd financiële administratie voor 31,95 uur per week. Op 15 juli 2020 heeft zij zich ziekgemeld met mentale en fysieke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 1 december 2022 geweigerd appellante met ingang van 13 juli 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 29 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmaninkomen aangepast.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de afwijzing van de WIA-aanvraag op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte lichamelijke en psychische klachten, zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding in de rapporten van de (verzekerings)artsen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Er is geen aanleiding om aan de medische conclusies te twijfelen. Waar het gaat over item 1.8.1 van de FML wordt aangenomen dat appellante is aangewezen op werkzaamheden waarbij zij niet of nauwelijks wordt afgeleid door de activiteiten van anderen, omdat zij snel wordt afgeleid door auditieve prikkels in de directe omgeving, ook bij eenvoudige en/of routinematige taken. Zij is dus aanzienlijk beperkt geacht op dit punt. Appellante heeft niet geconcretiseerd waarom deze beperking niet volstaat en zij heeft ook niet met medische informatie onderbouwd dat een nadere beperking zou moeten worden aangenomen. Het betoog van appellante dat zij verder beperkt is op item 2.12 heeft de rechtbank niet kunnen plaatsen, omdat appellante al volledig beperkt is geacht op dit punt. Klantencontacten wordt in het geheel niet mogelijk geacht. Het betoog van appellante dat zij beperkt zou moeten worden op samenwerken, heeft zij niet onderbouwd met medische informatie. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat appellante licht beperkt is geacht voor frequent buigen tijdens het werk vanwege haar rugklachten als gevolg van artrose en dat het lopen tijdens het werk beperkt is. Appellante heeft niet geconcretiseerd waarom deze beperkingen niet volstaan en zij heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij verder beperkt is op deze beoordelingspunten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt dat er geen reden is voor het aannemen van een urenbeperking, deugdelijk heeft gemotiveerd aan de hand van de Standaard verminderde arbeidsduur. De daarin genoemde drie indicaties voor het stellen van een urenbeperking zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan de orde. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv de medische geschiktheid van de voorbeeldfuncties voor appellante voldoende hebben toegelicht. Waar het gaat over item 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 24 mei 2024 deugdelijk gemotiveerd dat dit belastingaspect niet aan de orde is in de functie van administratief medewerker (SBC-code 515080). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er ook terecht op gewezen dat er in deze functie geen sprake is van een overschrijding van item 4.14 (dragen tijdens het werk). Appellante heeft haar stelling dat in deze functie sprake zou zijn van een overschrijding van item 5.10 (staan en lopen, gedwongen werkhouding) niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat in de functie van commercieel administratief medewerker (SBCcode 516110) geen sprake is van het belastingaspect 2.6. Hij heeft erop gewezen dat het in deze functie zakelijke aspecten betreft, waarbij wordt omgegaan met de gegevens van klachten, en waarbij er als vraagbaak via webchat met anderen gecommuniceerd kan worden. Inleving of omgang met de problemen van anderen is niet aan de orde. Appellante zou ook geen contactpersoon zijn van een klant. Waar het gaat over de functie van productieplanner, werkvoorbereider (SBC-code 513010), heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank niet geconcretiseerd waarom er volgens haar sprake is van een overschrijding op de belasting aspecten 1.8.1 en 2.6. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bovendien deugdelijk gemotiveerd dat de belasting op 1.8.1 acceptabel is, omdat uit de toelichting van de arbeidsdeskundig analist blijkt dat het auditief een relatief rustige omgeving is. Er is wel sprake van meerdere (ook telefonerende) collega’s, maar appellante werkt met een headset en dat zorgt al voor minimale auditieve storing door anderen. Eventueel kan een headset met noise cancelling techniek worden gebruikt, dan is een eventuele storing niet meer aan de orde. Dit is een goedkope en eenvoudige voorziening, tegenwoordig meestal al verstrekt door de werkgever. Om die reden is de belasting acceptabel. Verder is item 2.6 niet aan de orde in deze functie, omdat het zakelijke contacten betreffen. Voor de functie van boekhouder, kassier (SBC-code 515070), heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat de belasting op item 1.8.1 acceptabel is. Er is namelijk voldoende ruimte om de werkplek te voorzien van visueel- en geluiddempende tussenschotten. Het betreffen voornamelijk solitaire werkzaamheden. Het gaat om een paar telefoontjes per dag en incidenteel een mondelinge instructie. Eventueel kan er ook met noise cancelling gewerkt worden. Verder is het belastingaspect 2.6 niet aan de orde in deze functie. Er is geen sprake van veelvuldig klantcontact, geen sprake van conflicthantering en het betreffen zakelijke contacten. Ook in de functie van schadecorrespondent (SBC-code 516080) is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de belasting op beoordelingspunt 1.8.1 acceptabel. Appellante zou op kantoor of thuis werken; het betreft solitaire werkzaamheden waar eventueel noise cancelling gebruikt kan worden of de stilteplekken die op kantoor aanwezig zijn. Tot slot is geen sprake van belastingaspect 2.6 in deze functie. In deze functie is geen klantcontact. De werknemer adviseert of er schriftelijk of telefonisch contact met een klant moet worden opgenomen, maar doet dat niet zelf. Van overschrijding van dit item kan dan ook geen sprake zijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat haar klachten en beperkingen door de (verzekerings)artsen van het Uwv zijn onderschat. Zij heeft in hoger beroep medische informatie ingezonden waaruit volgens appellante blijkt dat de beoordeling door het Uwv is gebaseerd op een momentopname tijdens het spreekuur, niet representatief is voor haar belastbaarheid en in strijd is met de medische informatie. Deze informatie betreft een journaal van de huisarts, een intakeverslag van 13 december 2021 van Mondium (GGZ) en medische correspondentie en behandelbrieven van Mondium over de periode 10 juni 2021 tot en met 15 juli 2024. De conclusie dat er geen medische reden is voor verdergaande beperkingen dan in de FML zijn opgenomen, is naar de mening van appellante onvoldoende gemotiveerd. Te veel prikkels in een drukke omgeving verergeren haar klachten. De toelichting van de verzekeringsarts bij item 1.8.1 doet geen recht aan de problemen van appellante. Conflictsituaties vormen een groot probleem voor appellante en samenwerken is niet mogelijk. Appellante blijft bij haar standpunt dat in de functie van administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) sprake is van een overschrijding van haar belastbaarheid ten aanzien van item 4.14 (dragen tijdens het werk). Zij heeft aangevoerd dat deze functie voor haar niet geschikt is, omdat zij niet in staat is om de gegevens van patiënten te hanteren ook niet als dit slechts op papier is. Voor de functie van commercieel administratief medewerker (SBC-code 516110) geldt dat zij met offertedossiers voor hypotheekaanvragen wordt geconfronteerd en bij de functie schadecorrespondent (SBCcode 516080) wordt appellante geconfronteerd met declaraties van verzekerden van een grote zorgverzekeraar. Het is voor appellante onmogelijk om van dergelijke problemen van anderen afstand te kunnen nemen. Voor de functies productieplanner, werkvoorbereider (administratief) (SBC-code 513010) en boekhouder, kassier (SBC-code 515070) geldt dat er sprake is van een overschrijding van de beperkingen 1.8.1 en 2.6. Uit de toelichting van de arbeidsdeskundig analist volgt dat er continu sprake is van geluidsprikkels.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen en daarbij verwezen naar een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de ingebrachte informatie.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de artsen van het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht en een voldoende motivering hebben gegeven voor de aangenomen belastbaarheid. De primaire arts heeft informatie bij Mondium ingewonnen en appellante lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante psychisch onderzocht en had hij de beschikking over medische informatie van de huisarts. Alle door appellante naar voren gebrachte klachten zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat sprake is van een momentopname leidt er niet toe dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het systeem van de arbeidsongeschiktheidswetgeving maakt dat de gezondheidssituatie op de datum in geding bepalend is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante per 13 juli 2022 belastbaar is volgens de FML van 18 november 2022 en waarom er geen reden is verdergaande beperkingen aan te nemen. Appellante heeft in beroep en in hoger beroep geen medische informatie van haar behandelaars overgelegd die twijfel doet rijzen aan de juistheid van de in de FML vastgestelde medische beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de reactie van 3 maart 2026 op de in hoger beroep ingebrachte informatie terecht gesteld dat de informatie die reeds in bezwaar bekend was, is betrokken bij het opstellen van de FML of niet ziet op datum in geding.
Arbeidskundige beoordeling
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling zijn in wezen een herhaling van wat reeds eerder door appellante was gesteld. De rechtbank heeft deze gronden uitgebreid besproken en is goed gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat deze gronden niet slagen. Volstaan wordt daarom te verwijzen naar hetgeen de rechtbank in dit verband heeft vastgesteld en overwogen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 18 november 2022 zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt te achten voor appellante.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) M.J.D. van Haren