Socialezekerheidsrecht

Intrekking en terugvordering van bijstand. Teveel vermogen. Auto. Niet in geschil is dat in de te beoordelen…

Centrale Raad van Beroep, 8 september 2026

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
14 september 2026
Zaaknummer
25/79 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1192
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand. Teveel vermogen. Auto. Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode het kentekenbewijs van de Mercedes op naam van appellant stond. Appellant heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat zijn broer de Mercedes heeft aangeschaft en deze auto alleen om verzekeringstechnische redenen op naam van appellant is geregistreerd. Uit de bankafschriften kan verder niet worden afgeleid dat hij de (maandelijkse) kosten van de op zijn naam gestelde Mercedes niet zelf betaalde. Niet in geschil is dat de Mercedes een waarde had van € 36.550,-. Gelet daarop kon appellant in de te beoordelen periode beschikken over vermogen boven de grens van het voor hem geldende vrij te laten vermogen, zodat hij geen recht had op bijstand.

Uitspraak

25/79 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024, 24/1829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 8 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht de bijstand van appellant heeft ingetrokken en teruggevorderd op de grond dat hij kon beschikken over vermogen in de vorm van een auto, waarvan de waarde de voor hem vrij te laten grens van het vermogen te boven ging. De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op zijn naam geregistreerde auto, in afwijking van de vooronderstelling, niet tot zijn vermogen gerekend kan worden. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 juli 2026. Appellant, hoewel daartoe opgeroepen, noch mr. Pietersz zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant ontving sinds 24 oktober 2020 bijstand op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande met in de kosten delende medebewoners. Hij heeft bij de aanvraag om bijstand opgegeven dat hij een auto, merk Volkswagen , bezit met een waarde van € 1.500,-. Bij aanvang van de bijstand is het vermogen van appellant vastgesteld op € 160,-. Daarbij heeft het college de Volkswagen , gelet op de opgegeven waarde, niet als vermogen in aanmerking genomen.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding, inhoudend dat appellant in het buitenland heeft verbleven, de kosten door zijn broer zijn betaald, appellant te kennen heeft gegeven dat hij wil gaan werken als zelfstandige en een aanbetaling is gedaan op een bedrijfsbus, en van hem een e-mailbericht is ontvangen vanaf een zakelijk e-mailadres, is een handhavingsspecialist van de gemeente Utrecht een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist verschillende gegevensbronnen geraadpleegd. Daaruit is onder meer gebleken dat op 30 juli 2022 een Mercedes-Benz ( Mercedes ) op naam van appellant is geregistreerd en op 30 maart 2023 een Toyota op zijn naam is geregistreerd. De handhavingsspecialist heeft aan de hand van verkoopprijzen van dezelfde modellen en kilometerstanden vastgesteld dat de waarde van de Mercedes € 36.550,- is en van de Toyota € 11.299,-. Uit het onderzoek is verder gebleken dat op naam van appellant sinds [datum] 2023 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel een onderneming staat geregistreerd. Appellant heeft vervolgens na een informatieverzoek van het college een aantal stukken overgelegd, waaronder een schriftelijke verklaring over de op zijn naam geregistreerde auto’s. De bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek heeft de handhavingsspecialist neergelegd in een rapport dat is afgesloten op 25 juli 2023.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 3 augustus 2023 de bijstand van appellant met ingang van 30 juli 2022 in te trekken en de over de periode van 30 juli 2022 tot en met 30 juni 2023 de kosten van de verleende bijstand tot een bedrag van € 7.518,85 van appellant terug te vorderen. Met een beslissing op bezwaar van 25 januari 2024 (bestreden besluit) is het college bij dat besluit gebleven. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij kon beschikken over vermogen in de vorm van de op zijn naam staande auto’s, waarvan de waarde de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen van € 6.505,- te boven ging. Appellant heeft volgens het college niet zijn stelling onderbouwd dat hij niet over de Mercedes kon beschikken en dat niet uitgegaan kan worden van de door het college vastgestelde waarde van de Toyota , zodat beide auto’s aan zijn vermogen moeten worden toegerekend. De overschrijding van het vrij te laten vermogen stond per 30 juli 2022 aan voortzetting van de bijstand in de weg. Appellant heeft verder ook de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de oprichting van een onderneming.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over intrekking en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 30 juli 2022 tot en met 3 augustus 2023.

4.2.

Het college heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking en terugvordering ten grondslag ligt dat appellant kon beschikken over vermogen in de vorm van op zijn naam registreerde auto’s, waarvan de waarde de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen te boven ging. Als gevolg daarvan had appellant vanaf 30 juli 2022 geen recht op bijstand.

4.3.

Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode het kentekenbewijs van de Mercedes op naam van appellant stond. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daar niet in geslaagd. Daarbij is het volgende van belang.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de Mercedes niet tot zijn vermogen behoort. Hij maakt geen gebruik van deze auto. Zijn broer heeft deze auto gekocht en de auto is alleen op naam van appellant gesteld omdat zijn broer geen verzekering kon afsluiten. Alle kosten voor de auto worden door de broer van appellant betaald. Dat kan volgens appellant ook uit zijn bankafschriften worden afgeleid. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.

Appellant heeft, hoewel de Raad hem bij de oproepingsbrief daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld, op geen enkele wijze onderbouwd dat zijn broer de Mercedes heeft aangeschaft en deze auto alleen om verzekeringstechnische redenen op naam van appellant is geregistreerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier volgt dat op naam van de broer van appellant sinds december 2019 wel een andere (bedrijfs)auto is geregistreerd. Anders dan appellant heeft aangevoerd kan uit zijn bankafschriften verder niet worden afgeleid dat hij de (maandelijkse) kosten van de op zijn naam gestelde Mercedes niet zelf betaalde. Op zijn bankafschriften uit de betreffende periode zijn namelijk meerdere (maandelijkse) inningen van verzekeringspremies en betalingen aan de belastingdienst zichtbaar. Deze stelling staat bovendien haaks op wat appellant eerder heeft verklaard. Zo heeft hij tijdens de hoorzitting in bezwaar te kennen gegeven dat hij zelf alle kosten voor de Mercedes , zoals de verzekering, het onderhoud en belastingen, voldoet en zijn broer deze contant aan hem terugbetaalt. Dat laatste heeft appellant evenmin onderbouwd.

4.6.

Niet in geschil is dat de Mercedes een waarde had van € 36.550,-. Gelet daarop kon appellant in de te beoordelen periode beschikken over vermogen boven de grens van het voor hem geldende vrij te laten vermogen, zodat hij geen recht had op bijstand. Wat appellant heeft aangevoerd over de Toyota en oprichting van zijn onderneming behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

4.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van S.A.M. Schilder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) S.A.M. Schilder