Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 in de vorm van een traplift. Uit…
Centrale Raad van Beroep, 27 augustus 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1199 · Centrale Raad van Beroep · 27 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1199
Zaakgegevens
Op 27 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- 25/889 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1199
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 in de vorm van een traplift. Uit nader onderzoek is gebleken dat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk is. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat wel een noodzaak bestaat voor het plaatsen van een traplift.
Uitspraak
25/889 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2025, 24/3142 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college terecht heeft geweigerd appellante een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift te verstrekken. De Raad beantwoordt deze vraag net als de rechtbank bevestigend. De Raad ziet in de in hoger beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Ö. Kenç, advocaat, hoger beroep ingesteld, nadere stukken ingediend en verzocht om schadevergoeding. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kenç en haar zoon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J.J. Straver.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren in 1937, heeft lichamelijke aandoeningen, waaronder diabetes mellitus en hartproblematiek, en leeftijdsgerelateerde klachten. Appellante woont in een maisonnettewoning met verschillende trappen.
Appellante heeft op 3 april 2023 een maatwerkvoorziening aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) voor een woningaanpassing in de vorm van een traplift van de voordeur tot de woonverdieping. Met een besluit van 20 april 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen.
Met een besluit van 15 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college deze afwijzing gehandhaafd. Het college heeft hieraan primair ten grondslag gelegd dat uit nader onderzoek is gebleken dat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk is en subsidiair dat de gevraagde voorziening geen passende en veilige voorziening is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende de rapportage van de Wmo-adviseur zorgvuldig tot stand is gekomen. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan de juistheid van de rapportage te twijfelen. Appellante heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat wel een noodzaak bestaat voor het plaatsen van een traplift. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellante niet zodanige beperkingen in haar zelfredzaamheid of participatie ondervindt dat ter compensatie een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift moet worden verstrekt. Daarom komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgronden en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
De Raad voegt daar het volgende aan toe. Voor het oordeel dat het college appellante had moeten laten onderzoeken door een (verzekerings)arts met een specifieke specialisatie ziet de Raad geen aanleiding. Het college heeft zijn standpunt gebaseerd op het rapport van een Wmo-adviseur, die tevens ergotherapeut is. Deze adviseur heeft dossieronderzoek verricht, appellante – samen met een andere Wmo-adviseur met een achtergrond in de fysiotherapie – bij een huisbezoek geobserveerd bij het traplopen en gegevens uit gesprekken meegewogen. Daarbij is naar voren gekomen dat appellante gemiddeld drie keer per week naar buiten gaat, soms alleen en soms met haar dochter. Na het overbruggen van de aanwezige trappen in haar woning is appellante in staat zonder loophulpmiddel haar bestemmingen, zoals de nabijgelegen moskee of markt, te bereiken. Bij terugkomst bij de woning is zij in staat de trappen te overbruggen. Ook is in aanmerking genomen dat appellante heeft laten weten dat zij genezen is van de duizeligheid die zij bij een eerdere aanvraag in 2019 had. De Raad ziet in wat in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de Wmo-adviseur iets heeft gemist of onjuiste conclusies heeft getrokken uit wat tijdens het onderzoek naar voren is gekomen. Daar komt bij, dat het college de medische stukken van de huisarts die appellante in bezwaar heeft verstrekt heeft voorgelegd aan een medisch adviseur, die daaruit gemotiveerd de conclusie heeft getrokken dat traplopen in een rustig tempo voor appellante mogelijk moet zijn. De Raad ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.
De door appellante in hoger beroep verstrekte medische informatie van de afdeling cardiologie van het Ikazia ziekenhuis, waarin de hartproblematiek van appellante is beschreven, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft ook deze informatie voorgelegd aan zijn medisch adviseur. De medisch adviseur heeft vervolgens opgemerkt dat de hartproblematiek gedetailleerder wordt beschreven dan in de gegevens van de huisarts die de medisch adviseur eerder heeft gezien. Ook is er een verslag van een laatste bezoek aan de cardioloog in november 2023, naar aanleiding waarvan appellante is ontslagen bij cardiologie en terugverwezen naar de huisarts. De medisch adviseur heeft in deze gegevens navolgbaar geen aanleiding gezien om het eerder uitgebrachte medisch advies te wijzigen.
Ook de Raad komt daarom niet toe aan een bespreking van de vraag of een traplift wel of geen veilige voorziening is.
Gelet op het bovenstaande bestaat geen aanleiding om het college te veroordelen tot het vergoeden van schade.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
bevestigt de aangevallen uitspraak;
-
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.2, vierde lid
Het college onderzoekt:
-
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
-
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
-
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
-
e behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
-
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; (…)
Artikel 2.3.5, derde lid
Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.