Socialezekerheidsrecht

Invordering. Vaststelling aflossingscapaciteit. Opdracht nieuw besluit. Het college heeft ter zitting erkend…

Centrale Raad van Beroep, 25 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
25/377 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1204
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Invordering. Vaststelling aflossingscapaciteit. Opdracht nieuw besluit. Het college heeft ter zitting erkend dat niet duidelijk is van welke inkomensgegevens het bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit is uitgegaan. Ook in hoger beroep heeft het college hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Het college heeft verder het standpunt ingenomen dat op basis van de beschikbare stukken dit gebrek niet hersteld kan worden. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Uitspraak

25/377 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2025, 24/1240 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)

Datum uitspraak: 25 augustus 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een besluit waarbij het college heeft vastgesteld welk bedrag appellante maandelijks moet aflossen op een schuld aan het college. Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat het college niet duidelijk heeft gemaakt welke inkomsten hij bij de vaststelling van het aflossingsbedrag in aanmerking heeft genomen. Deze beroepsgrond slaagt. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juli 2026. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door O.J. Massalova.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Met een besluit van 6 oktober 2014 heeft het college kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 47.256,51. Tijdens de procedure over dit besluit hebben partijen bij de Raad, op een zitting op 3 juli 2018, een schikking bereikt. Het college heeft daarbij de terugvordering beperkt tot een bedrag van € 43.674,27 en partijen hebben afgesproken over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Naar aanleiding van die schikking heeft appellante het hoger beroep op 11 juli 2018 ingetrokken.

1.2.

Met een besluit van 19 augustus 2019 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 12 juli 2019 ingetrokken omdat zij de AOW-leeftijd heeft bereikt.

1.3.

Met een besluit van 2 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 januari 2024 (bestreden besluit), heeft het college vastgesteld dat appellante op de op dat moment nog resterende schuld van € 39.909,17 maandelijks een bedrag van € 123,50 moet aflossen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de aflossingsverplichting in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.

Zoals in de kennisgeving voor de zitting is opgenomen en tijdens de behandeling ter zitting met partijen is besproken, is in hoger beroep alleen het aflossingsbesluit aan de orde, zoals gehandhaafd met het bestreden besluit. Het in 1.1 genoemde terugvorderingsbesluit ligt niet ter beoordeling voor.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Niet duidelijk is welke inkomsten het college in aanmerking heeft genomen.

4.3.

Het college heeft ter zitting erkend dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. Niet duidelijk is namelijk van welke inkomensgegevens het college bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit is uitgegaan. Het college heeft bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit gebruik gemaakt van een rekentool, maar niet duidelijk is welke inkomensgegevens daarbij zijn gebruikt. Ook in hoger beroep heeft het college hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Het college heeft verder het standpunt ingenomen dat op basis van de beschikbare stukken dit gebrek niet hersteld kan worden. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Conclusie en gevolgen

4.4.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.5.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat de Raad van partijen geen duidelijkheid heeft kunnen krijgen over de voor de vaststelling van de aflossingscapaciteit benodigde inkomensgegevens. Het college zal daarom worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 augustus 2023. Dit betekent dat het college opnieuw zal moeten beoordelen wat de aflossingscapaciteit van appellante in augustus 2023 was. De Raad gaat er daarbij van uit dat het college de beroepsgrond van appellante, dat haar kosten in bezwaar ten onrechte niet zijn vergoed, zal betrekken in het nieuw te nemen besluit.

4.6.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om te bepalen dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 16 januari 2024 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2023 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Bonnema