Socialezekerheidsrecht
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet heeft betaald. Het beroep op…
Centrale Raad van Beroep, 9 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1206 · Centrale Raad van Beroep · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1206
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- 26/282 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1206
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet heeft betaald. Het beroep op betalingsonmacht is afgewezen.
Uitspraak
26/282 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
29 september 2025, AMS 23/5626
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 9 september 2026
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 12 maart 2026 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van €143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 13 april 2026 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
Op 11 mei 2026 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 9 juni 2026 heeft de Raad appellant verzocht het bijgevoegde formulier in te vullen en binnen vier weken na verzending van deze brief retour te zenden. Daarbij is appellant erop gewezen dat als het formulier niet op tijd retour wordt gestuurd, niet compleet is ingevuld en/of als er gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht zal worden afgewezen en het griffierecht alsnog betaald moet worden.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan, waardoor op 15 juli 2026 het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Appellant is bij aangetekende brief van
18 juli 2026 eraan herinnerd dat een griffierecht van €143,- is verschuldigd. Hierbij is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Daarbij is nogmaals erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van J. Toonen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) J. Toonen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.