Socialezekerheidsrecht
Het Uwv heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 65,54%. Appellant heeft…
Centrale Raad van Beroep, 9 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1212 · Centrale Raad van Beroep · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1212
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- 25/426 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1212
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het Uwv heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 65,54%. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn psychische klachten. Hij is van mening dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft en daarom volledig arbeidsongeschikt had moeten worden verklaard. De Raad volgt dit standpunt niet.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/426 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 januari 2025, 24/2105 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgeefster B.V.] (werkgeefster)
Datum uitspraak: 9 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 mei 2023 heeft vastgesteld op 65,54%. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn psychische klachten. Hij is van mening dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft en daarom volledig arbeidsongeschikt had moeten worden verklaard. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Werkgeefster heeft als belanghebbende aan de procedure deelgenomen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2026. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn vader [naam vader] en bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat en kantoorgenoot van mr. M.J. van de Laar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Werkgeefster is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als CNC frezer voor gemiddeld 36,09 uur per week. Op 17 mei 2021 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 mei 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 58,98%. Het Uwv heeft bij besluit van 23 mei 2023 aan appellant met ingang van 15 mei 2023 (datum in geding) een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Bij besluit van 27 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschikt vastgesteld op 65,54%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen of aanvullende medische informatie had moeten opvragen. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij regelmatig last heeft van psychoses, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan ook sprake was rond de datum in geding en uit de summiere stukken die er zijn, blijkt dat ook niet. Er is alleen in een brief van de Rooyse Wissel vermeld dat het tijdens de behandeling daar, die van januari 2020 tot februari 2022 liep, meerdere keren tot een kortdurende psychotische episode kwam. In het rapport van de arts van 11 mei 2023 staat dat appellant recent (“laatst”) geen psychotische episodes meer heeft gehad. Voor het overige bestaat het beroepschrift uit een opsomming van de klachten die appellant heeft en ervaart. Die klachten zijn allemaal meegenomen en appellant heeft niet uitgelegd waarom en op welk vlak dit volgens hem zou moeten leiden tot het aannemen van meer of andere beperkingen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, is door de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) van het Uwv voldoende onderbouwd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de (verzekerings)artsen van het Uwv onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar zijn psychische klachten en dat ten onrechte geen (nadere) informatie over deze klachten is opgevraagd bij zijn behandelaren. Volgens appellant was op de datum in geding sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en had hij daarom volledig arbeidsongeschikt moeten worden verklaard. Hij heeft last van psychoses, PTSS en heeft een lichte verstandelijke beperking. Indien appellant bij meerdere mensen verblijft, krijgt hij paniekaanvallen en wordt hij depressief. Hij lijdt een geïsoleerd bestaan waarbij hij geen hobby’s meer kan uitoefenen en volledig leunt op de hulp van zijn ouders.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 65,54% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Vooropgesteld wordt dat het in deze procedure gaat om een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 15 mei 2023. Ontwikkelingen in de medische situatie die zich na deze datum hebben voorgedaan, kunnen niet in de beoordeling worden betrokken. Zoals ter zitting is besproken, bestaat wel de mogelijkheid om bij het Uwv een melding te doen van toegenomen klachten waarna beoordeeld zal moeten worden of er aanleiding is om de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf een latere datum op een hoger percentage vast te stellen.
Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Zowel in de primaire fase als in bezwaar heeft een spreekuur plaatsgevonden met een (verzekerings)arts waarbij met appellant, in het bijzijn van zijn ouders, is gesproken over de lichamelijke en met name ook de psychische klachten. De artsen van het Uwv hadden bij hun beoordeling bovendien de beschikking over een brief van de Rooyse Wissel van 27 maart 2023 en een brief van de huisarts van 4 april 2023. In de brief van de Rooyse Wissel is een toelichting gegeven over de bij appellant gestelde diagnoses en het verloop van de behandeling. De behandeling bij de Rooyse Wissel is eind februari 2022 geëindigd en appellant is nadien alleen nog onder behandeling geweest bij de huisarts. De Raad ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het Uwv over onvoldoende informatie beschikte om de medische situatie van appellant op de datum in geding te kunnen beoordelen.
Ook het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, wordt onderschreven. De (verzekerings)artsen van het Uwv hebben terecht geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet voldeed aan de voorwaarden om uit te gaan van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Anders dan appellant heeft gesteld, kan uit het dossier niet worden afgeleid dat het functioneren in de zelfverzorging, het directe samenlevingsverband en de sociale contacten op dat moment dermate minimaal was dat hij psychisch niet zelfredzaam was. Uit het rapport van de arts blijkt onder andere dat appellant de zelfzorg zelfstandig uitvoerde en dat hij voldoende sociale contacten had. Met de gestelde diagnose PTSS en de lichte verstandelijke beperking is rekening gehouden en daarvoor zijn ook beperkingen aangenomen in de FML. Appellant heeft zijn standpunt dat op de datum in geding sprake was van psychoses ook in hoger beroep niet onderbouwd. In de brief van de huisarts van 4 april 2023 is hier ook niets over vermeld.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65,54% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) N. Gios