Socialezekerheidsrecht
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan een ex-werkneemster van appellante een…
Centrale Raad van Beroep, 9 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1213 · Centrale Raad van Beroep · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1213
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- 25/1542 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1213
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan een ex-werkneemster van appellante een ZW-uitkering heeft toegekend. Anders dan de primaire verzekeringsarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep mede op basis van een psychiatrische expertise vastgesteld dat ex-werkneemster ongeschikt is voor haar eigen werk als kandidaat-notaris. De Raad volgt dit standpunt.
Uitspraak
25/1542 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2025, 24/5760 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante N.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan een ex-werkneemster van appellante per 1 november 2023 een ZW-uitkering heeft toegekend. Anders dan de primaire verzekeringsarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep mede op basis van een psychiatrische expertise vastgesteld dat ex-werkneemster per 1 november 2023 ongeschikt is voor haar eigen werk als kandidaat-notaris. De Raad volgt dit standpunt.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
OVERWEGINGEN
Inleiding
[ex-werknemeemster] (ex-werkneemster) is van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023 in dienst geweest bij appellante als kandidaat-notaris voor 32 uur per week. Op 1 augustus 2023 heeft appellante aan ex-werkneemster meegedeeld dat haar jaarcontract niet wordt verlengd. Zij is hierna tot en met 31 oktober 2023 vrijgesteld van haar werk. Op 7 november 2023 heeft ex-werkneemster zich per 1 november 2023 ziekgemeld.
Op 29 november 2023 heeft een verzekeringsarts ex-werkneemster op spreekuur gezien. Deze arts heeft in zijn rapport van 30 november 2023 geconcludeerd dat exwerkneemster per 1 november 2023 geschikt is voor haar eigen arbeid als kandidaatnotaris.
Bij besluit van 1 december 2023 heeft het Uwv geweigerd aan ex-werkneemster per 1 november 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat zij geschikt is voor haar eigen werk.
Het bezwaar van ex-werkneemster tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 2024 (bestreden besluit) gegrond verklaard en bepaald dat zij vanaf 1 november 2023 recht heeft op een ZW-uitkering. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 mei 2024 ten grondslag. Op verzoek van deze verzekeringsarts heeft psychiater R. Hondius op 6 mei 2024 een psychiatrisch expertise uitgebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ex-werkneemster per 1 november 2023 niet geschikt geacht voor haar eigen werk. Volgens deze verzekeringsarts blijkt uit zijn eigen onderzoek en uit het rapport van Hondius dat de belastbaarheid van ex-werkneemster in haar eigen werk als kandidaat-notaris wordt overschreden.
Uitspraak van de rechtbank
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft ex-werkneemster op spreekuur gezien en heeft het expertise-rapport van psychiater Hondius van 6 mei 2024 bij zijn oordeel betrokken. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de expertise onzorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat zowel de psychiatrische expertise als het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn gericht op de datum in geding. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat in de vraagstelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de psychiater is vermeld dat de datum in geding 1 november 2023 is, zodat het voor de psychiater duidelijk was dat het onderzoek zich richt tot die datum. Uit de psychiatrische expertise van Hondius blijkt ook dat het onderzoek is gericht op de datum in geding. Zo is in de samenvatting van de context, de anamnese en de samenvatting en beschouwing vermeld dat de ex-werkneemster zich per 1 november 2023 heeft ziekgemeld. Verder volgt ook uit de inhoud van de beschouwing van de psychiatrische expertise dat dit onderzoek is gericht op het dienstverband bij appellante en de ziekmelding van ex-werkneemster per 1 november 2023. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat dat het onderzoekskader de geschiktheid per 1 november 2023 voor de maatstaf eigen werk als kandidaat-notaris is. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de primaire verzekeringsarts de belastbaarheid onderschat en is ex-werkneemster beperkt ten aanzien van een hoog handelingstempo/deadlines, intensieve klantcontacten en het omgaan met conflicten. Het eigen werk als kandidaat-notaris overschrijdt deze belastbaarheid. Hieruit volgt dat de overwegingen en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gericht zijn op de datum in geding.
In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de eerste ziektedag op 1 november 2023 af te wijken. Appellante heeft geen gegevens ingebracht waaruit blijkt dat van een andere eerste ziektedag moet worden uitgegaan. Op 8 november 2023 heeft het Uwv de ziekmelding van de ex-werkneemster per 1 november 2023 aan appellante bevestigd. De rechtbank heeft het standpunt van appellante dat zij niet bekend is met een ziekmelding per 1 november 2023 dan ook niet gevolgd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat er geen deugdelijke onderbouwing is voor het standpunt van het Uwv dat de eerste ziektedag 1 november 2023 is. Volgens appellante dient te worden uitgegaan van de conclusie van de primaire verzekeringsarts, die ex-werkneemster geschikt heeft geacht voor haar eigen werk op 1 november 2023. Het onderzoek door deze arts vond plaats kort na de datum in geding en de conclusie van de arts is deugdelijk gemotiveerd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter onderbouwing daarvan heeft het Uwv nog een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 november 2025 ingediend.
Het oordeel van de Raad
In geschil is of het Uwv terecht ex-werkneemster per 1 november 2023 een
ZW-uitkering heeft toegekend. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 november 2025 inzichtelijk en navolgbaar uiteengezet dat – mede op basis van het rapport van psychiater Hondius – de primaire verzekeringsarts van een verkeerde diagnose is uitgegaan en de belastbaarheid van appellante heeft overschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er onvoldoende medische gronden zijn om van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 1 november 2023 uit te gaan. Er zijn geen aanknopingspunten om deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Dat de primaire verzekeringsarts ex-werkneemster kort na de datum in geding heeft gezien, neemt niet weg dat in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar een verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een andere conclusie kan komen, mits deze voldoende inzichtelijk is en voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Daarvan is hier sprake.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de ZW-uitkering aan ex-werkneemster per 1 november 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en L.A. Kjellevold en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.