Socialezekerheidsrecht

Het Uwv heeft terecht geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens…

Centrale Raad van Beroep, 9 september 2026

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
25/1656 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1214
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het Uwv heeft terecht geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 26 september 2023 duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet.

Uitspraak

25/1656 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 juli 2025, 25/132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 26 september 2023 duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.E. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2026. Appellant heeft, bijgestaan door mr. De Jong en vergezeld van zijn moeder, [naam moeder] , via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 26 september 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is onder meer vermeld dat hij een psychosomatische pijnstoornis en fybromyalgie heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van diverse behandelaars. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna is geconcludeerd dat appellant op de dag dat de aanvraag is ontvangen arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 15 maart 2024 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.

1.2.

Bij besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek verricht en zijn de rapporten inzichtelijk gemotiveerd. Uit het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor appellant geldende beperkingen te kunnen komen. De informatie van de behandelend sector is daarbij kenbaar betrokken en aan alle klachten van appellant is aandacht besteed, waarbij geen klachten over het hoofd zijn gezien. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellant onjuist hebben vastgesteld. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen, zoals door appellant is verzocht. Met de arbeidskundige rapporten heeft het Uwv verder gemotiveerd dat appellant ten tijde van zijn aanvraag een taak kon uitvoeren in een arbeidsorganisatie en over basale werknemersvaardigheden beschikte. Daarbij is rekening gehouden met zijn beperkingen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het complexe klachtenbeeld en de ernst van zijn medische situatie, dat ten onrechte zijn vrijetijdsactiviteiten ten grondslag zijn gelegd aan de medische beoordeling en dat uit de stukken naar voren komt dat het hem niet lukt om het arbeidsproces of zelfs de dagbesteding vol te houden. Appellant heeft zijn verzoek om een onafhankelijk deskundige in te schakelen herhaald.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

5.2.

In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de dag dat het Uwv de aanvraag heeft ontvangen arbeidsvermogen heeft.

Medische beoordeling

5.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. Uit het rapport van 9 februari 2024 blijkt dat de verzekeringsarts alle overgelegde medische informatie in diens onderzoek heeft betrokken en daaruit heeft opgemaakt dat voor de fysieke klachten van appellant geen somatische oorzaak is gevonden en dat het beeld door de behandelaars wordt geduid als passend bij een pijnstoornis, gebonden aan somatische en psychische factoren (psychosomatische pijnstoornis) met mogelijk paniekstoornis/stemmingsstoornis gebonden aan somatische klachten. Ook is de verzekeringsarts uitgegaan van de in 2023 bij appellant gediagnosticeerde fybromyalgie. Aannemelijk is dat sprake is van problematiek die leidt tot een plausibel en consistent geheel tussen trias stoornissen, participatieproblemen en beperkingen. Vastgesteld is dat appellant vaardigheden kan ontwikkelen, maar dat hij hiervoor wel meer tijd nodig heeft. Bij toename van stress en andere mentale eisen kan appellant een toename van klachten krijgen, zodat van belang is dat stress/werkdruk kortdurend is. Appellant heeft moeite om gedachten te verwoorden en zal niet snel zelf initiatief nemen. Ook heeft hij moeite zich te uiten wat contact met onbekenden belemmert. Appellant kan daarom wel samenwerken, maar daarbij moeten geen hoge eisen zijn gesteld aan sociale interactie. Aan de hand van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat niet kan worden geconcludeerd dat appellant niet in staat is om een uur aaneengesloten te werken. Niet is gebleken dat appellant niet in staat is routinehandelingen uit te voeren, ernstige geheugenstoornissen heeft of dat er problemen zijn met het richten en vasthouden van de aandacht, waardoor niet aannemelijk is dat vaker dan een keer per uur een substantiële onderbreking in het productieproces nodig is om appellant bij te sturen. Conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid bestaat voorts geen medische indicatie voor een duurbeperking. Er is namelijk bij appellant geen sprake van een aandoening die gepaard gaat met ernstige energetische tekorten of beperkte recuperatiemogelijkheden, van een beperkte beschikbaarheid of van een preventieve noodzaak, zodat appellant gedurende vier uur per dag belastbaar is. Hiertegenover heeft appellant gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn complexe medische situatie. Appellant heeft deze stelling ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd. Geen aanleiding bestaat daarom te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen, zodat geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen zoals door appellant verzocht.

5.4.

De beroepsgrond dat de vrijetijdsactiviteiten van appellant ten onrechte ten grondslag zijn gelegd aan de medische beoordeling, slaagt evenmin. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2024 is vermeld dat tijdens de bezwaarprocedure geen nieuwe medische feiten zijn ingebracht of argumenten naar voren zijn gekomen op basis waarvan gesteld kan worden dat appellant op medische gronden niet in staat is om een uur aaneengesloten te werken of vier uur per dag belastbaar kan zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen uit het medisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts daarom onderschreven. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant naar eigen zeggen ongeveer zeven uur per dag online gamet en een uur per dag wandelt en daaraan de conclusie verbonden dat appellant dus in staat is om deze activiteiten minstens een uur vol te houden. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dagverhaal van appellant betrokken bij de medische beoordeling in bezwaar en geconcludeerd dat de medische beoordeling niet conflicteert met het dagverhaal van appellant.

Arbeidskundige beoordeling

5.5.

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de onderzoeken van de arbeidsdeskundigen voldoende zorgvuldig zijn geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundigen. In hoger beroep heeft appellant verder geen arbeidskundige gronden aangevoerd, zodat de voorwaarden dat appellant een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en dat hij over basale werknemersvaardigheden beschikt daarom geen bespreking behoeven.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant op de dag dat het Uwv de aanvraag heeft ontvangen beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven.

Conclusie en gevolgen

5.7.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.


(getekend) D.S. de Vries

(getekend) N. Gios