Socialezekerheidsrecht

Afwijzing aanvraag om meer uren individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Een deel van de genoemde…

Centrale Raad van Beroep, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
25/204 WMO15
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1247
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om meer uren individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Een deel van de genoemde taken vallen niet onder begeleiding als bedoeld in de Wmo 2015 vallen. Er is geen sprake van bevordering van de participatie of zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.

Uitspraak

25/204 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 december 2024, 23/3995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

Datum uitspraak: 17 september 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om meer uren individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015 toe te kennen dan appellant eerder was verstrekt. Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat de afwijzing stand houdt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [naam echtgenote] en bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Jabitana en D. Cappelle-Martens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant is bekend met chronische rugklachten, tinnitus en chronische psychiatrische problematiek. Hij ontving tot en met 31 december 2022 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel categorie midden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Dit betrof vijf uur per week aan begeleiding, die werd verleend door zijn echtgenote. Appellant heeft verzocht om verlenging van deze maatwerkvoorziening. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts van Stichting SAP op verzoek van het college onderzoek verricht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 23 december 2022. Met een besluit van 27 december 2022 heeft het college de eerder verstrekte maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding verlengd tot en met 31 december 2024.

1.2.

Op 16 januari 2023 heeft appellant het college gevraagd om meer uur aan begeleiding toe te kennen onder overlegging van een brief van zijn psychiater van 22 december 2022. Het college heeft vervolgens onderzoek verricht.

1.3.

Met een besluit van 20 april 2023, gehandhaafd met een besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen. Uit het rapport van de verzekeringsarts van Stichting SAP van 23 december 2022 blijkt dat appellant begeleiding van zijn echtgenote ontvangt voor zaken waarin hij beperkt is, zoals plannen, organiseren en structureren. Daarnaast richt de begeleiding zich op het houden van toezicht en het bieden van dagbesteding. Ter onderbouwing van de stelling dat meer uren begeleiding noodzakelijk zijn, heeft appellant een brief van zijn psychiater van 22 december 2022 overgelegd. In die brief stelt de psychiater inderdaad dat er meerdere uren per dag begeleiding en ondersteuning geboden moet worden, maar niet waarvoor. Desgevraagd heeft de psychiater vervolgens in een brief van 16 februari 2023 uiteengezet waaruit de begeleiding en ondersteuning door de echtgenote van appellant bestaat. Het college heeft terecht gesteld dat de door de psychiater genoemde taken grotendeels taken zijn die niet onder begeleiding als bedoeld in de Wmo 2015 vallen. Er is hiermee immers geen sprake van bevordering van de participatie of zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Voor de hulp bij de verplaatsing naar het toilet is bovendien al een pgb toegekend. Appellant heeft op verzoek van het college zelf ook een overzicht gemaakt van de taken die zijn echtgenote op dagelijkse basis verricht en de tijd die daarmee gemoeid zou zijn. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet waarom deze taken niet kunnen leiden tot de toekenning van meer uren begeleiding. Voor een deel van de genoemde taken is het bestaande pgb van vijf uur per week bedoeld. Een ander deel van de taken is aan te merken als gebruikelijke hulp en ook zijn er taken genoemd, die niet zijn aan te merken als begeleiding in de zin van de Wmo 2015. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. Het college heeft een voldoende helder beeld van de problematiek en ondersteuningsbehoefte van appellant. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om aan te tonen dat er meer uren begeleiding noodzakelijk zijn en heeft daarvan ook gebruik gemaakt door stukken van zijn behandelaars en een overzicht van de taken die zijn echtgenote verricht, te overleggen. Deze stukken geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van het college en daarmee aan het bestreden besluit.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de rapportage van de behandelend psychiater onjuist heeft geïnterpreteerd. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geweigerd een deskundige te benoemen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellant ongegrond is. De Raad verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad voegt daaraan toe dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom er niet meer uren begeleiding moet worden verstrekt voor de door appellant genoemde taken dan al eerder was verstrekt. Appellant heeft (ook) in hoger beroep hiertegen niets ingebracht.

Conclusie en gevolgen

4.2.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) M.G.J. van Eck