Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat…
Centrale Raad van Beroep, 17 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1248 · Centrale Raad van Beroep · 17 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1248
Zaakgegevens
Op 17 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 25/2065 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1248
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante niet 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 september 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.
Uitspraak
25/2065 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2025, 24/9475 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante heeft beëindigd en om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd haar een WIA-uitkering toe te kennen. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij meer beperkingen heeft, dat zij ongeschikt is voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies en dat zij daarom recht heeft op een ZW-uitkering en vervolgens een WIA-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante heeft beëindigd en terecht heeft geweigerd haar een WIA-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Voor appellante is mr. O.C. Bozbiyik, kantoorgenoot van mr. Talhaoui, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als pedagogisch medewerkster voor 23,91 uur per week. Op 27 oktober 2021 heeft zij zich – vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving – ziekgemeld met mentale en fysieke klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 mei 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en heeft vervolgens voor appellante passende functies geselecteerd. Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 augustus 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Naar aanleiding van een aanvraag van appellante van 6 juli 2023 om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 31 juli 2023 geweigerd appellante per 25 oktober 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij niet 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.
Bij besluit van 3 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 12 juli 2023 en 31 juli 2023 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft – mede op grond van informatie van de behandelend reumaloog van appellante van 29 augustus 2024 waarin is vermeld dat bij appellante sprake is van fybromyalgie – appellante aanvullend beperkt geacht voor lichamelijk zwaar werk. Op grond van informatie van de behandelend neuroloog, waarin is beschreven dat sprake is van een carpaal tunnel syndroom (CTS) rechts en aan de linkerkant een beginnende CTS, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante ook aanvullend beperkt geacht voor veelvuldige knijpkracht en schroefbewegingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van de door de neuroloog beschreven nek- en rugklachten die tendomyogeen van aard zijn zonder aanwijzingen voor een cervicaal of radiculair syndroom geen aanvullende beperkingen aangenomen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische beperkingen verwijderd, omdat uit een brief van de huisarts blijkt dat er geen diagnose is gesteld met betrekking tot de psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen neergelegd in een gewijzigde FML van 11 september 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van een deels gewijzigde functieselectie vastgesteld dat appellante nog 82,67% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het medisch onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts, het bezwaarschrift en de hoorzitting van 6 augustus 2024 met aansluitend een medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, en medische informatie afkomstig van de behandelend sector.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medisch objectiveerbare beperkingen inzichtelijk heeft weergegeven in de FML. Daarin zijn beperkingen opgenomen in verband met fibromyalgie en het CTS (beiderzijds). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht waarom de bevindingen ten aanzien van de nek- en rugklachten van appellante geen aanleiding hebben gegeven om beperkingen aan te nemen voor nek- en rugbelastend werk. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het syndroom van Tietze niet medisch is geobjectiveerd bij appellante en dat een diagnose niet doorslaggevend is bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar gaat het om te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid. Zo is de subjectieve beleving van appellante niet beslissend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat appellante niet voldoet aan de criteria zoals verwoord in de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid en afdoende heeft gemotiveerd dat in geval van appellante geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om aan de juistheid van die medische vaststelling te twijfelen.
De rechtbank heeft het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderschreven dat appellante in staat is te achten de voor haar geselecteerde functies te vervullen omdat deze binnen haar belastbaarheid vallen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De artsen van het Uwv hebben nagelaten al haar klachten en beperkingen te betrekken waardoor deze zijn onderschat en het Uwv een onvolledig ziektebeeld heeft verkregen. Appellante heeft onder meer last van rugklachten, nekklachten, stijfheid van de spieren, schouderklachten, heupklachten, duizeligheid, en vermoeidheidsklachten. Ook heeft zij last van cognitieve klachten, zoals concentratieproblemen, geheugenproblemen en moeite om helder te denken. Door haar fibromyalgie worden pijnsignalen sterker ervaren dan normaal. Het syndroom van Tietze en het CTS beperken haar in aanzienlijke mate bij werkzaamheden die precisie vereisen of herhaalde handbewegingen. Appellante heeft aangevoerd dat zij ook psychische klachten ervaart, zoals een burn-out en mentale vermoeidheid. Ten onrechte heeft het Uwv geen urenbeperking toegekend. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt een brief van 29 augustus 2024 met probleemlijst van haar huisarts ingebracht.
Appellante betwist dat zij de voor haar geselecteerde functies kan verrichten. Het verrichten van de functies zal leiden tot toename van pijnklachten aan haar rug en nek en kan zij bepaalde handelingen niet uitvoeren vanwege haar nek- en rugklachten, fibromyalgie, CTS-klachten, syndroom van Tietze en psychische klachten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet WIA. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de medische en arbeidskundige gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
In hoger beroep heeft appellante nog een brief van haar huisarts van 29 augustus 2024 ingebracht, waarin bij augustus 2012 is vermeld dat appellante zich op dat moment gemeld heeft met het syndroom van Tietze. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet leidt tot meer beperkingen. Uit het in hoger beroep ingezonden medisch onderzoeksverslag van 6 februari 2026, in verband met een nieuwe WIA-beoordeling per 2 februari 2026, valt op te maken dat de beperkingen die met het syndroom van Tietze samenhangen worden ondervangen met de beperkingen die in de FML van 11 september 2024 zijn opgenomen. Dit standpunt van het Uwv kan worden gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 september 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. Ten aanzien van de signaleringen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 26 september 2024 inzichtelijk en deugdelijk toegelicht waarom deze niet tot overschrijding van de belastbaarheid van appellante leiden. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn, te meer nu appellante in haar gronden is uitgegaan van beperkingen die niet in de FML zijn opgenomen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 13 augustus 2023 en de weigering om appellante per 25 oktober 2023 een WIA-uitkering toe te kennen standhouden.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) M.J.D. van Haren