Socialezekerheidsrecht

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische…

Centrale Raad van Beroep, 23 september 2026

Zaakgegevens

Op 23 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23 september 2026
Datum publicatie
23 september 2026
Zaaknummer
24/2850 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1256
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.

Uitspraak

24/2850 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2024, 23/2108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 8 juni 2022 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Ronday, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ronday. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Deze laatste heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de behandeling ter zitting.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker bloemen (bloemverwerker) voor 40,34 uur per week. Op 10 juni 2020 heeft hij zich ziekgemeld. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 augustus 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 21,15%. Het Uwv heeft bij besluit van 11 oktober 2022 geweigerd appellant met ingang van 8 juni 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 9 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee van de primair geselecteerde functies laten vervallen, een nieuwe functie geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 12,45%.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Het onderzoek bestond uit dossieronderzoek en een fysiek spreekuur met een psychisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aanwezig was bij de hoorzitting betekent niet dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Ook is niet gebleken dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest. De lengte van het onderzoek is volgens vaste rechtspraak van de Raad geen criterium voor de zorgvuldigheid van het onderzoek. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts slechts een momentopname is en dat een prognose de verwachting is die de verzekeringsarts uitspreekt. Het feit dat de prognose niet uitkomt betekent niet dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Ook hebben de verzekeringsartsen alle beschikbare medische gegevens op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de conclusies van de verzekeringsartsen logisch en goed te volgen zijn. Op grond van de tijdens het onderzoek verkregen informatie heeft de primaire verzekeringsarts diverse beperkingen aangenomen. Deze zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigd. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de ingebrachte medische informatie niet leidt tot een ander oordeel. Uit de medische informatie volgt dat de psychische klachten van appellant op de datum in geding onder controle waren. Appellant heeft veel medische informatie ingebracht die ziet op een periode na de datum in geding. Over de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onjuist zijn. Uitgaande van de juistheid van de FML van 18 augustus 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen alle beschikbare medische informatie op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling hebben betrokken. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de foutieve prognose niet betekent dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens appellant is wel degelijk sprake van een onzorgvuldig onderzoek gezien de huidige aanmerkelijk slechtere gezondheidssituatie van appellant. De klachten van appellant waren rond de datum in geding al zodanig dat bij een gedegen onderzoek nooit de prognose was gesteld dat herstel binnen een jaar was te verwachten. De verzekeringsarts heeft appellant niet dan wel onvoldoende zorgvuldig beoordeeld waardoor de functionele mogelijkheden van appellant niet juist zijn weergegeven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een belastbaarheidsonderzoek van 3 april 2025 in het geding gebracht.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft dan ook zowel het oordeel van de rechtbank als de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.2.

Het in hoger beroep overgelegde medisch belastbaarheidsonderzoek van 3 april 2025 bevat geen nieuwe informatie over de gezondheidssituatie van appellant ten tijde van de datum in geding 8 juni 2022, die niet al eerder bekend was bij de verzekeringsartsen van het Uwv. In dit verband wordt erop gewezen dat in het medisch belastbaarheidsonderzoek staat vermeld dat appellant ‘momenteel niet belastbaar’ is en dus duidelijk ziet op een datum ruim drie jaar na de datum in geding. Dat zijn gezondheidssituatie na de datum in geding is verslechterd is overigens ook in lijn met wat appellant in zijn hoger beroepschrift van 19 december 2024 heeft gesteld. Immers spreekt appellant daarin over zijn ‘huidige aanmerkelijk slechtere gezondheidssituatie’.

Conclusie en gevolgen

5.3.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B. Uҫurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.


(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B. Uҫurum