Socialezekerheidsrecht
Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zorgvuldig medisch onderzoek…
Centrale Raad van Beroep, 23 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1260 · Centrale Raad van Beroep · 23 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1260
Zaakgegevens
Op 23 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Datum publicatie
- 23 september 2026
- Zaaknummer
- 25/2198 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1260
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zorgvuldig medisch onderzoek. Aanpassing FML. Geen redenen aanwezig om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Uitspraak
25/2198 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 september 2025, 24/3471 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 11 juni 2024 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als winkelmedewerker voor gemiddeld 23,91 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 2 november 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 17 maart 2022 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 juni 2023. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 31 oktober 2023 de WIA-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2024 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 17 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat de WIA-uitkering eindigt per 11 juni 2024. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 22 maart 2024 en rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv in de bezwaarfase op zorgvuldige wijze is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier en de gronden van appellante bestudeerd. Daarnaast is zij aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft zij appellante aansluitend psychisch en lichamelijk onderzocht op haar spreekuur. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van de in bezwaar overgelegde medische informatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Appellante heeft voldoende ruimte gehad om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Zij heeft ook van die gelegenheid gebruik gemaakt door in bezwaar medische informatie uit de behandelend sector in te dienen. Die medische stukken zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Met de door appellante genoemde klachten en de gestelde diagnoses is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden. Appellante heeft niet met (medische) informatie en ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van haar gezondheidstoestand. Evenmin heeft appellante twijfel doen rijzen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over haar belastbaarheid voor arbeid. Het verzoek van appellante om een onafhankelijk deskundige te benoemen, heeft de rechtbank daarom afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat voldoende inzichtelijk en controleerbaar is gemotiveerd dat de voor appellante geselecteerde functies passen binnen de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Zij heeft haar standpunt dat haar klachten en beperkingen door het Uwv zijn onderschat herhaald. Appellante heeft in dit verband naar voren gebracht dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten, rugklachten en migraine. Zij heeft erop gewezen dat bij de eerdere WIA-beoordeling in 2020 een beperking was aangenomen voor duwen en trekken en in de FML was opgenomen dat zij is aangewezen op vaste bekende werkwijzen. Appellante is van mening dat deze beperkingen ook bij de huidige beoordeling hadden moeten worden aangenomen. Verder heeft appellante gesteld dat zij maximaal vier uur per dag kan werken. De rechtbank heeft volgens appellante ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Zij heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de door het Uwv geselecteerde functies haar belastbaarheid overschrijden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 22 maart 2024 vastgesteld dat de lichamelijke klachten van appellante en het onderliggende medisch substraat niet wezenlijk zijn veranderd ten opzichte van de WIA-beoordeling die in 2020 is verricht, maar dat de verzekeringsarts toch enkele beperkingen heeft laten vervallen of juist zwaarder heeft aangezet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat zij de verzekeringsarts hierin deels kan volgen, maar deels ook niet. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder andere gesteld dat er geen medische reden is waarom appellante met inzet van haar eigen lichaamsgewicht niet in staat zou kunnen worden geacht duw- of trekkracht uit te oefenen conform de vastgestelde referentiewaarde. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat zij zich erin kan vinden dat niet langer in de FML is opgenomen dat appellante is aangewezen op vaste, bekende werkwijzen. Omdat appellante zegt dat zij moeite heeft met onverwachte zaken of omstandigheden is in de FML opgenomen dat zij is aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Er is geen medische reden om aan te nemen dat appellante niet zelfstandig een persoonlijke invulling aan haar functioneren zou kunnen geven, zij woont immers zelfstandig en verricht in haar eigen tempo zelfstandig haar huishouden. De Raad ziet geen aanleiding om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.
Wat betreft de hoofdpijnklachten blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante heeft verklaard dat zij vaak drie keer per maand een migraineaanval heeft, vooral wanneer zij gestrest is. Een migraineaanval duurt meestal één dag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om vanwege deze klachten verdergaande beperkingen aan te nemen of om uit te gaan van excessief ziekteverzuim. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat appellante geen specifieke behandeling heeft voor de hoofdpijnklachten en dat deze klachten ook niet als zodanig worden vermeld in de door appellante ingediende informatie van haar huisarts. Bovendien is al in de FML tot uitdrukking gebracht dat appellante is aangewezen op weinig stresserende en fysiek lichte werkzaamheden. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden met de hoofdpijnklachten.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de gewijzigde FML van 22 maart 2024 opgenomen dat appellante ongeveer acht uur per dag en dertig uur per week kan werken. Hierbij heeft zij vermeld dat appellante niet op vrijdag en zaterdag kan werken in verband met de groepsbehandeling op vrijdagochtend en de hersteltijd hierna. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar het dagverhaal, geen reden om aan te nemen dat appellante op de andere dagen van de week niet kan functioneren. Voor het standpunt van appellante dat zij maximaal vier uur per week kan werken is geen onderbouwing te vinden in het dossier.
Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ en er ook geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.