Socialezekerheidsrecht
Verlaging ZW-uitkering met 10% en met 37,5%. Het Uwv heeft terecht de uitkering van appellante verlaagt omdat…
Centrale Raad van Beroep, 30 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1310 · Centrale Raad van Beroep · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1310
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1530 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1310
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verlaging ZW-uitkering met 10% en met 37,5%. Het Uwv heeft terecht de uitkering van appellante verlaagt omdat appellant niet op het spreekuur van de bedrijfsarts is verschenen en de tweede keer de re-integratieverplichtingen niet is nagekomen.
Uitspraak
25/1530 ZW, 25/1531 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juli 2025, 24/3583, 24/3585 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de uitkering van appellant op grond van de ZW gedurende twee maanden met 10% heeft verlaagd omdat hij zonder geldige reden niet is verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts en over de vraag of het Uwv terecht de uitkering van appellant op grond van de ZW gedurende vier maanden met 37,5% heeft verlaagd omdat hij zich voor een tweede keer niet aan de re-integratieverplichtingen heeft gehouden, zodat sprake was van recidive. Appellant stelt dat hij de uitnodiging voor het spreekuur bij de bedrijfsarts niet heeft ontvangen, zodat hem niet kan worden verweten niet op het spreekuur te zijn verschenen. Omdat daardoor de grondslag voor de verlaging van zijn uitkering met 10% ontbreekt, kan er volgens appellant voorts geen sprake zijn van recidive, zodat de verlaging van zijn uitkering gedurende vier maanden ten onrechte is gesteld op 37,5%. De Raad is het niet met appellant eens. Het Uwv heeft de maatregelen terecht opgelegd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2026. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, werkzaam bij [naam uitzendbureau] , heeft zich op 23 mei 2022 ziekgemeld. [naam uitzendbureau] (werkgever) is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). Op 6 december 2023 heeft de bedrijfsarts appellant schriftelijk meegedeeld dat het eerder geplande consult is verplaatst naar maandag 11 december 2023. Hierbij zijn de oude adresgegevens van appellant gebruikt. Daarnaast heeft de bedrijfsarts appellant via zijn e-mailadres op 6 december 2023 op de hoogte gesteld van deze nieuwe afspraak. Op 11 december 2023 heeft de bedrijfsarts werkgever op de hoogte gesteld van het niet verschijnen van appellant op het spreekuur. Nadat de werkgever het Uwv daartoe heeft verzocht, heeft het Uwv met een besluit van 10 januari 2024 de ZW-uitkering van appellant van 11 december 2023 tot en met 10 februari 2024 verlaagd met 10%.
Met een besluit van 21 november 2023 heeft het Uwv op verzoek van de werkgever de uitbetaling van de ZW-uitkering met ingang van 31 oktober 2023 geschorst omdat appellant niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichting. Met een besluit van 22 december 2023 heeft het Uwv op verzoek van de werkgever, omdat appellant inmiddels aan zijn verplichting had voldaan, de schorsing van de ZW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 31 oktober 2023 ingetrokken en is de betaling van de uitkering heropend. Naar aanleiding van het opheffen van de schorsing heeft de werkgever eveneens op 20 december 2023 het Uwv verzocht om appellant per 31 oktober 2023 een maatregel uit categorie 3 (het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen) op te leggen. De maatregel is dan een verlaging van de uitkering met 25% voor de duur van vier maanden. Met het besluit van 5 februari 2024 heeft het Uwv de gevraagde maatregel opgelegd. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.
Op 18 januari 2024 heeft de werkgever het Uwv verzocht om de ZW-uitkering van appellant met ingang van 17 november 2023 te schorsen omdat appellant opnieuw niet aan zijn re-integratieverplichtingen met betrekking tot het zogeheten spoor 2 traject heeft voldaan. Met een beslissing van 30 januari 2024 heeft het Uwv de uitbetaling van de ZWuitkering met ingang van 17 januari 2024 geschorst. Op 6 februari 2024 heeft de werkgever het Uwv verzocht de schorsing met ingang van 17 januari 2024 op te heffen. Met een besluit van 16 februari 2024 heeft het Uwv de schorsing per 17 januari 2024 met terugwerkende kracht ingetrokken.
Naar aanleiding van het opheffen van de schorsing heeft de werkgever het Uwv op 6 februari 2024 voorts verzocht om appellant met ingang van 17 januari 2024 opnieuw een maatregel uit categorie 3 op te leggen en daarbij vermeld dat sprake is van recidive met betrekking tot het niet nakomen van re-integratieverplichtingen door appellant. Met het besluit van 4 maart 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant van 17 januari 2024 tot en met 16 mei 2024 verlaagd, omdat appellant zich niet heeft gehouden aan zijn reintegratieverplichtingen en deze verlaging vastgesteld op 37,5% omdat sprake is van recidive. Hierbij heeft het Uwv gewezen op de eerder met het besluit van 5 februari 2024 opgelegde maatregel in verband met het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen.
Appellant heeft tegen de besluiten van 10 januari 2024 en 4 maart 2024 bezwaar gemaakt. Met afzonderlijke besluiten van 30 mei 2024 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Over de verlaging van de ZW-uitkering van 11 december 2023 tot en met 10 februari 2024 met 10% heeft de rechtbank overwogen dat appellant de uitnodiging voor het spreekuur bij de bedrijfsarts wel heeft ontvangen. Weliswaar is deze uitnodiging verzonden naar een ander adres dan dat waarop appellant sinds 8 november 2021 staat ingeschreven, maar de uitnodiging is ook verzonden naar het e-mailadres waaronder appellant ook bij het Uwv bekend is. Dat appellant deze e-mail niet zou hebben ontvangen, acht de rechtbank niet aannemelijk nu deze niet door de verzender onbestelbaar retour is ontvangen. Bovendien heeft appellant volgens de werkgever tijdens een telefoongesprek op 12 december 2023 verklaard dat hij de afspraak was vergeten. Omdat appellant niet is verschenen op het spreekuur bij de bedrijfsarts en niet is gebleken van een geldige reden daarvoor, heeft het Uwv terecht de door de werkgever verzochte maatregel opgelegd.
Over de verlaging van de ZW-uitkering van 17 januari 2024 tot en met 16 mei 2024 met 37,5% heeft de rechtbank overwogen dat de recidive geen betrekking heeft op het niet verschijnen bij de bedrijfsarts, maar op het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen door appellant en daarbij gewezen op het in rechte vaststaande besluit van 5 februari 2024. Van recidive is namelijk sprake als aan iemand een maatregel is opgelegd en die persoon binnen twee jaar na bekendmaking daarvan dezelfde verplichting weer niet nakomt. In dat geval wordt het percentage van de maatregel met 50% verhoogd. Dat is het geval in de situatie van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat hij de uitnodiging voor het spreekuur bij de bedrijfsarts niet heeft ontvangen, dat daarom ten onrechte een maatregel van 10% is opgelegd en dat daardoor ook geen sprake is van recidive.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of de rechtbank de bestreden besluiten terecht in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Uitsluitend in geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant de uitnodiging voor het spreekuur bij de bedrijfsarts heeft ontvangen en of sprake is van recidive bij het opleggen van de tweede in geding zijnde maatregel. Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden volledig onderschreven.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2026.