Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
25/2405 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1311
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Uitspraak

25/2405 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 november 2025, 24/6958 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 14 april 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot wijziging van het bestreden besluit. Appellante ontvangt alsnog met ingang van 3 juni 2024 een Wajong-uitkering.

Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten van bezwaar is niet gebleken. Het Uwv is door de rechtbank al veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht in beroep. Het Uwv wordt thans veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- (1 punt voor het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een gewicht van 1).

Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 934,-;

  • bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.J.D. van Haren