Socialezekerheidsrecht
Vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de…
Centrale Raad van Beroep, 30 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1318 · Centrale Raad van Beroep · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1318
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 7 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1915 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1318
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de (ex)werkneemster op 11 juli 2022 ongeschikt was voor de maatgevende arbeid.
Uitspraak
25/1915 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 augustus 2025, 25/560 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht heeft bepaald op 11 juli 2022. Appellante vindt dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd hoe deze datum is vastgesteld en is van mening dat deze op een eerdere datum, namelijk voor datum indiensttreding bij appellante op 1 september 2021, dan wel na einde dienstverband moet worden vastgesteld. De Raad volgt appellante hierin niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.E. van der Wolf, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 augustus 2026. Voor appellante zijn [naam 1] , algemeen directeur, en [naam 2] , adjunct-directeur, verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wolf. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Met ingang van 1 december 2022 is [naam 3] , (ex)werkneemster, als schoonmaakster in dienst getreden bij [naam stichting] voor de duur van 1 jaar. Binnen de proeftijd van een maand is haar ontslag verleend. Per 15 december 2022 heeft zij zich ziekgemeld en is haar ziekengeld toegekend.
Bij een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat de (ex)werkneemster al vanaf tweede kwartaal 2022 toegenomen beperkingen had. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is bepaald op 11 juli 2022, de dag waarop uitgebreide afwijkingen zijn geconstateerd bij aanvullend onderzoek (MRI). Omdat de (ex)werkneemster meer dan 35% arbeidsongeschikt is bevonden, heeft het Uwv het ziekengeld ongewijzigd voorgezet.
Bij besluit van 29 januari 2024 is appellante in kennis gesteld van de beslissing dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van de (ex)werkneemster is bepaald op 11 juli 2022, toen zij nog in dienstbetrekking stond tot appellante. Appellante is als eigen risicodrager verantwoordelijk voor de uitvoering van de Ziektewet (ZW), zodat appellante is verzocht de ziekmelding in behandeling te nemen.
Bij besluit van 4 december 2024 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 november 2024 ten grondslag gelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de (ex)werkneemster op 11 juli 2022 ongeschikt was voor de maatgevende arbeid. De rechtbank heeft onder meer verwezen naar rechtspraak van de Raad waaruit blijkt dat als de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt bestreden, de vaststelling van het exacte tijdstip onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter draagt. De onzekerheid daarvan komt voor risico van de late melder, de werknemer. Aangezien het in dit geval gaat om een belastend besluit moet het Uwv deugdelijk motiveren waarom 11 juli 2022 als datum eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft te gelden. Als het Uwv dit afdoende heeft gemotiveerd, is het aan appellante om aannemelijk te maken dat die eerste dag voor datum indiensttreding bij appellante is gelegen. De rechtbank heeft de toelichting van het Uwv gevolgd. Aannemelijk is dat de (ex)werkneemster haar werkzaamheden door de medische problemen niet goed heeft kunnen uitvoeren, in ieder geval op 11 juli 2022. Verder heeft de rechtbank het Uwv gevolgd dat er geen medische stukken voorhanden zijn waaruit blijkt dat de (ex)werkneemster op een eerdere datum arbeidsongeschikt was. Appellante heeft geen gegevens overgelegd die tot een andere conclusie aanleiding geven.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in essentie de eerdere gronden herhaald.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de klachten van de (ex)werkneemster startten in het tweede kwartaal 2022 en dat de (ex)werknemer gezien de resultaten van een MRI-onderzoek op 11 juli 2022 in ieder geval per die datum ongeschikt moet worden geacht voor het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd. De gronden die appellante hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat appellante bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden besproken en is op navolgbare wijze tot de conclusie gekomen dat deze niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep geen nadere gegevens in geding gebracht. De Raad volstaat daarom met het onderschrijven van het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 11 juli 2022 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.