Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Centrale Raad van Beroep, 30 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1319 · Centrale Raad van Beroep · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1319
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 7 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23/3380 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1319
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Uitspraak
23/3380 WIA, 26/684 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2023, 22/6052 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 oktober 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wege. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
De Raad heeft het onderzoek heropend om appellante in de gelegenheid te stellen een nader stuk in te dienen. De Raad heeft vervolgens aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen die op 23 september 2025 rapport heeft uitgebracht.
Het Uwv heeft naar aanleiding van dit rapport op 19 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellante met ingang van 28 mei 2020 een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVAuitkering) van € 770,77 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) toegekend. Appellante heeft een zienswijze gegeven op dit besluit.
Het Uwv heeft op 13 juli 2026 een nadere gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij appellante per 28 mei 2020 een IVAuitkering is toegekend van € 989,18 bruto per maand (exclusief vakantiegeld).
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het besluit van 23 december 2022, wijziging van de beslissing op bezwaar van 19 februari 2026 ten aanzien van de hoogte van het dagloon en toekenning van een IVAuitkering van € 989,18 bruto per maand (exclusief vakantie-uitkering) bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2016.
Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1) en € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tweemaal 0,5 punt voor het indienen van zienswijzen, met een waarde per punt van € 934,-). Ook komen de reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij de Raad voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 58,48 op basis van openbaar vervoer tweede klas. In totaal bedragen de proceskosten € 6.060,48.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.060,48;
-
bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) A.N. Bechinka