Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening Wmo 2015 voor een elektrische rolstoel. Met de eerder verstrekte…
Centrale Raad van Beroep, 8 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1327 · Centrale Raad van Beroep · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1327
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1725 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1327
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening Wmo 2015 voor een elektrische rolstoel. Met de eerder verstrekte handbewogen rolstoel en de deeltaxipas wordt een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van appellant.
Uitspraak
25/1725 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2025, 24/3959 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
SAMENVATTING
De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het college de aanvraag van appellant om een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel terecht heeft afgewezen. Met de eerder verstrekte handbewogen rolstoel in combinatie met een deeltaxipas wordt een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van appellant.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Blanckenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Voor appellant is mr. Blanckenburg verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.L. Verbunt en S. Govers.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren in 1988, is bekend met lichamelijke klachten. In verband hiermee heeft het college appellant in aanmerking gebracht voor een handbewogen rolstoel en een deeltaxipas. Op 15 september 2023 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een elektrische rolstoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Bij besluit van 27 september 2023, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft zich – onder verwijzing naar een medisch advies van JPH Consult – op het standpunt gesteld dat appellant met de reeds verstrekte handbewogen rolstoel en de deeltaxipas in aanvaardbare mate kan participeren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft – samengevat en voor zover van belang – geoordeeld dat sprake is van zorgvuldige besluitvorming. Uit onderzoek is gebleken dat bij appellant geen sprake is van grote spierzwakte van de bovenste extremiteit. Appellant kan zich binnen- en buitenshuis verplaatsen in zijn handbewogen rolstoel en zijn bestemmingen hoepelend met deze rolstoel of met de deeltaxi bereiken. De rechtbank heeft de motivering van het college dat appellant met deze voorzieningen in aanvaardbare mate kan participeren afdoende bevonden voor de afwijzing van de elektrische rolstoel. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat de wens van appellant om een elektrische rolstoel te verkrijgen met name is gelegen in het feit dat de handbewogen rolstoel vaak kapot is en/of veel lekke banden heeft. Appellant heeft weliswaar gesteld dat zijn klachten zijn onderschat en dat die ernstig zijn, maar hij heeft niet gesteld dat hij om die (medische) redenen geen gebruik (meer) kan maken van de handbewogen rolstoel en is aangewezen op een elektrische rolstoel. Ook anderszins is het volgens de rechtbank niet gebleken dat appellant met de reeds verstrekte voorzieningen niet in een aanvaardbare mate maatschappelijk kan participeren. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om aan te nemen dat appellant onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt te onderbouwen met (nadere) medische gegevens of dat medische informatie ontbreekt. Appellant heeft bij de medisch adviseur medische informatie verstrekt, die de adviseur heeft betrokken bij zijn beoordeling. Van een situatie als bedoeld in het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van een schending van het beginsel van equality of arms is dan ook geen sprake. Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen wordt daarom afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. De medisch adviseur van JPH Consult heeft de klachten van appellant onderschat. Bij appellant is sprake van ernstige medische problematiek, waarvoor door zijn behandelend artsen geen duidelijke diagnose kan worden gevonden. De klachten van appellant zijn weldegelijk aanwezig, waardoor hij in aanmerking dient te komen voor een elektrische rolstoel. Volgens appellant had de rechtbank een deskundige moeten benoemen. Appellant heeft de Raad verzocht daartoe alsnog over te gaan.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot de zijne. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.
Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de medisch adviseur van JPH Consult. De medisch adviseur heeft op basis van de beschikbare medische gegevens – waaronder informatie van de huisarts en door appellant verstrekte stukken van een ziekenhuis – op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat geen verklaring kan worden gevonden voor de ernst van de beperkingen die appellant ervaart. Wegens het ontbreken van een objectivering van de klachten en beperkingen in de mate waarin appellant die stelt, heeft het college zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat met de handbewogen rolstoel en de deeltaxipas een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van appellant. Dat appellant met deze eerder verstrekte voorzieningen niet kan voorzien in zijn vervoersbehoefte, bestaan ook in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten.
Nu appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf medische stukken over te leggen, daarvan ook gebruik heeft gemaakt en hij onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de inhoudelijke beoordeling door de medisch adviseur, heeft de rechtbank terecht afgezien van het benoemen van een onafhankelijk deskundige.
Gelet op het vorenstaande ziet de Raad evenmin aanleiding om een deskundige te benoemen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat het college de aanvraag van appellant om een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel terecht heeft afgewezen en dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
(getekend) B. Serno
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5
(…)
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
(…)
Verordening maatschappelijke ondersteuning Breda 2021
Artikel 3.3
1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze:
a. noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;
(…)